Legende van de Mechelse Kuil | verhalen uit Ede


Het verschil tussen legenden, mythen, sagen en sprookjes, vier vormen van epiek, is niet strikt. De genres kunnen overlappen. Gedeelde kenmerken zijn vooral dat de verschillende vormen bovennatuurlijke elementen bevatten, zoals onnatuurlijke gebeurtenissen, wonderbaarlijke locaties, magische voorwerpen, bovennatuurlijke wezens, monsters en helden. Rond Ede zijn veel van deze kenmerken aanwezig. Er gaan dan ook veel verhalen rond ...


De Mechelse Kuil

Op de plek van de Mechelse Kuil, gelegen tussen Zuid-Ginkel en Planken Wambuis, stond vroeger een herberg. Hier gaan allerlei verhalen over in het rond. De herbergier lijkt niet te vertrouwen!

Eén van die verhalen lees je hier.
Dagtocht sagen en legenden: klik [ hier ]

Links: situatie in 1975, toen er nog water in de kuil stond. Bron: Gemeentearchief Ede.

Anno 2021 staat de kuil geheel droog, ondanks de vele regen dit jaar.


De legende van de vuurman van de Veluwe

Het was een donkere avond in het late najaar. Boven de Veluwe joegen zware wolken langs de hemel en de wind trok steeds harder aan de kale takken van de bomen. Af en toe flitste er in de verte een bleke lichtstraal door de wolken, gevolgd door het diepe gerommel van de donder. De Hessenweg, die zich als een donkere streep door het uitgestrekte landschap slingerde, lag er verlaten bij. Er was geen huis te zien. Geen licht achter een raam. Geen stem van een mens. Alleen het geluid van de wind en het gestage tikken van de regen op de bladeren.

Over die eenzame weg liep een marskramer. Hij had die dag al uren gelopen en zijn benen begonnen zwaar te worden. Op zijn rug droeg hij een grote mars met allerlei goederen die hij onderweg probeerde te verkopen: stoffen, linten, messen, kleine gebruiksvoorwerpen en andere spullen waarvan hij hoopte dat boeren en reizigers er een paar stuivers voor over zouden hebben. Hij had die middag nog goede zaken gedaan en was daarom eigenlijk tevreden. Maar nu begon hij zich zorgen te maken. Zijn doel was de herberg van Planken Wambuis, waar hij de nacht hoopte door te brengen. Daar kon hij eten, zijn kleren laten drogen en vooral slapen zonder bang te hoeven zijn voor de kou. Maar daarvoor moest hij nog een flink eind. Hij keek naar de donkere hemel. "Als het maar even droog blijft," mompelde hij. Op dat moment barstte de regen los. Binnen enkele ogenblikken was hij doorweekt. 

De wind rukte aan zijn jas en de regen sloeg zo hard in zijn gezicht dat hij nauwelijks zijn ogen open kon houden. De Hessenweg veranderde in een modderige strook waarin iedere stap moeite kostte. De marskramer keek om zich heen. Hij wist dat er ergens in deze omgeving een oud logement stond: de Mechelse Herberg. Bij die naam voelde hij altijd een zekere onrust. De herberg had namelijk geen goede naam. Er werd verteld dat er vreemde dingen gebeurden en dat reizigers die er eenmaal hadden overnacht soms liever zwegen over wat ze hadden meegemaakt. De herbergier, die Rooie Berend werd genoemd vanwege zijn rode haar en ruwe uiterlijk, stond bekend als een nors en onbetrouwbaar man. Toch dacht de marskramer: "Beter een slechte herberg dan helemaal geen herberg". Hij veranderde van richting en zocht zich een weg door de regen.

 

Na enige tijd zag hij een zwak licht. "Daar!" Hij versnelde zijn pas. Achter een groep donkere bomen doemde een laag, vervallen gebouw op. Het dak hing scheef en enkele luiken waren dichtgetimmerd. Uit een schoorsteen kwam nauwelijks rook. De marskramer liep naar de deur en klopte. Er gebeurde niets.  Hij klopte nogmaals, harder deze keer. Na lange tijd werd de deur op een kier geopend. In de opening verscheen een man. Zijn gezicht was breed en verweerd en in het flakkerende licht van een olielamp leek zijn haar bijna rood. De man keek de reiziger zwijgend aan. "Ik zoek een plaats om de nacht door te brengen," zei de marskramer. De herbergier keek eerst naar de natte kleren van de man en daarna naar de grote mars op zijn rug. "Een plaats?" vroeg hij. "Al is het maar een droge hoek waar ik kan slapen." Rooie Berend trok één mondhoek omhoog. "Vooruit dan maar." Hij deed de deur verder open. De marskramer stapte naar binnen.

Het was er donker en benauwd. De vloer kraakte onder zijn voeten en ergens achter in het gebouw hoorde hij een ratelen alsof iemand met een stok tegen een houten wand tikte. "Je kunt daar slapen," zei de herbergier. Hij wees naar een klein hok achter de gelagkamer. "Is daar een bed?" "Een strozak." "Dat is genoeg." De marskramer zette zijn mars neer en haalde opgelucht adem. Hij wist niet dat de herbergier zijn bagage ondertussen nauwlettend in de gaten hield.

 

Die avond zat de marskramer bij een klein vuur. Hij had wat brood en kaas gekregen en voelde de warmte langzaam terugkeren in zijn lichaam. Rooie Berend zat aan de andere kant van de ruimte. Hij zei nauwelijks iets. Maar af en toe keek hij naar de marskramer. En telkens wanneer hij dat deed, gleed zijn blik naar de grote mars. De reiziger merkte het niet. Hij was moe. Toen hij zijn laatste hap had gegeten, stond hij op. "Ik ga slapen." Rooie Berend knikte. "Welterusten." De marskramer verdween naar het kleine hok. Hij sloot de deur en ging op de strozak liggen.

Buiten loeide de wind. Het onweer trok langzaam verder over de Veluwe. De marskramer dacht nog even aan de lange tocht die hij de volgende dag moest maken. Toen viel hij in slaap. Het moet ergens diep in de nacht zijn geweest toen Rooie Berend opstond. Hij liep langzaam naar het slaapvertrek. In zijn hand hield hij een zwaar voorwerp. Hij luisterde. Geen geluid: de marskramer sliep. Rooie Berend opende de deur. De volgende ochtend zou niemand de reiziger meer levend terugzien.

Toen de zon de volgende ochtend boven de Veluwe verscheen, was het noodweer verdwenen. De lucht was helder en koud. Rooie Berend stond achter de herberg en keek naar de grond. Daar was een verse kuil. Diep. Diep genoeg om een menselijk lichaam aan het oog te onttrekken. Hij keek om zich heen. Niemand had iets gezien. Althans, dat dacht hij. Hij vulde de kuil zorgvuldig met aarde en strooide er bladeren overheen. Daarna ging hij terug naar de herberg alsof er niets was gebeurd. De mars van de reiziger was verdwenen. En met de mars waren ook diens geld en andere waardevolle spullen verdwenen. Rooie Berend dacht dat hij een perfecte misdaad had gepleegd. Hij vergiste zich.

 

Dagen gingen voorbij. Toen weken. Maar in het dorp begon men vragen te stellen. Waar was de marskramer gebleven? Hij was onderweg naar de Veluwe geweest. Men had hem voor het laatst gezien in de omgeving van de Mechelse Herberg. Sommige mensen herinnerden zich dat hij daarheen was gegaan omdat het weer zo slecht was geworden. Langzaam begonnen de geruchten. "Die man is verdwenen." "Niemand heeft hem daarna nog gezien." "Volgens mij was hij bij de Mechelse Herberg." En uiteindelijk kwam het verhaal ook bij de schout terecht. Rooie Berend werd opgehaald. Hij werd ondervraagd. "Ken je de marskramer?" "Nee." "Is hij bij jou geweest?" "Niet dat ik weet."  "Heb je hem onderdak gegeven?" "Ik krijg zoveel reizigers over de vloer. Ik kan ze niet allemaal onthouden." Hij bleef ontkennen.

De mannen van de schout doorzochten de herberg en het terrein eromheen.  Ze vonden niets. Geen lichaam. Geen bloedspoor. Geen aanwijzing. Rooie Berend glimlachte. Hij dacht dat hij gewonnen had. Een paar dagen later waren twee bosarbeiders in de omgeving aan het werk. Ze liepen langs de herberg toen een van hen plotseling bleef staan. "Kijk daar eens." In de grond lag een grote kuil. Er groeiden aardappelen. Heel veel aardappelen. "Dat is een flinke voorraad," zei de ander. "Voor wie?" De mannen keken elkaar aan. De herbergier woonde daar vrijwel alleen. Waarom zou iemand zoveel aardappelen begraven? Ze besloten de kuil open te maken. De eerste schep ging de grond in. toen de tweede en dan de derde. Toen stootte de schop ergens tegenaan. "Hier zit iets." Ze begonnen sneller te graven. Even later werd het stil. Onder de aarde lag het lichaam van de verdwenen marskramer. 

Rooie Berend kon niets meer ontkennen. De waarheid kwam aan het licht. Hij had de reiziger vermoord en begraven om zijn geld en goederen te stelen. De schout nam hem mee. En uiteindelijk kreeg Rooie Berend de straf die bij zijn misdaad hoorde. Daarmee zou het verhaal kunnen eindigen. Maar op de Veluwe eindigen oude verhalen zelden wanneer iemand sterft. Soms beginnen ze dan pas.

 

Na de dood van Rooie Berend begonnen mensen vreemde dingen te vertellen. Op stormachtige avonden zagen reizigers in de verte een licht over de heide bewegen. Sommigen dachten eerst dat het een lantaarn was. Maar het licht bewoog te snel. En soms verdween het plotseling om even later veel verderop weer op te duiken. Een boer die op een avond laat naar huis reed, zag een gestalte langs de weg. Het was een man. Maar hij liep niet. Hij leek over de grond te zweven. Rond zijn lichaam brandde een vreemde rode gloed. De boer gaf zijn paard de sporen en reed zo snel mogelijk naar huis. De volgende dag vertelde hij wat hij had gezien. "Een vuurman," zei iemand. Sindsdien werd de verschijning zo genoemd: de vuurman van de Veluwe. Men zei dat het de rusteloze geest van Rooie Berend was. Een man die door zijn misdaad geen vrede kon vinden en daarom op donkere, stormachtige avonden bleef rondzwerven over de wegen waar vroeger reizigers liepen.

 

Van de oude Mechelse Herberg bleef uiteindelijk niets over. Het gebouw verdween. De tijd nam de muren, het dak en de herinneringen mee. Maar de aarde vergat niet wat er was gebeurd. Op de plaats waar de herberg ooit had gestaan, bleef een diepe inzinking in het landschap zichtbaar: een kuil. De mensen uit de omgeving bleven haar de Mechelse Kuil noemen. En wanneer op een donkere najaarsavond de wind over de Veluwe jaagt, wanneer de bomen kraken en de regen tegen de takken slaat, zijn er nog altijd mensen die zeggen dat je daar beter niet te lang kunt blijven. Want als je dan heel stil bent en goed kijkt naar de donkere weg, zou je zomaar een vreemd rood licht kunnen zien. Eerst heel ver weg. Een klein vlammetje tussen de bomen. Dan iets dichterbij. En nog dichterbij. Totdat je beseft dat het geen lantaarn is. Geen wagen. Geen licht van een huis. Maar een brandende gestalte die zwijgend over de oude weg komt: de vuurman! De geest van Rooie Berend! Hij zoekt nog altijd naar iets. Misschien naar de buit die hij ooit heeft gestolen. Misschien naar de plaats waar hij de marskramer begroef. Of misschien zoekt hij naar iets wat veel moeilijker te vinden is: vergeving.

Maar wie hem op een donkere avond tegenkomt, doet er verstandig aan niet te blijven staan om dat te vragen. Want de oude mensen op de Veluwe zeiden altijd: "Wie 's nachts bij de Mechelse Kuil komt, moet zijn eigen weg vervolgen en niet achterom kijken." En misschien is dat wel de beste raad die de Veluwe ons ooit heeft gegeven.

Bron: Bezoek-Ede | aangepast met AI.