Kostschoolhoudster in Ede | Leeson


Isabella Leeson was een bijzondere kostschoolhoudster van Ede. Ze was een Engelse onderwijzeres die in Ede een kostschool begon en zich daarnaast inzette voor arme kinderen, goed onderwijs en betere woningen. In de geschiedenis van het negentiende-eeuwse Ede neemt Isabella Leeson een bijzondere plaats in. Zij kwam als jong Engels meisje naar Nederland, werd onderwijzeres en vestigde zich uiteindelijk in Ede. Daar bouwde zij een meisjeskostschool op die leerlingen uit het hele land aantrok. Maar Isabella Leeson was veel meer dan alleen kostschoolhoudster. Ze was een maatschappelijk betrokken vrouw die zich gedurende haar hele leven inzette voor onderwijs en voor mensen die het minder goed hadden.

Isabella Leeson werd geboren op 10 september 1828 in Nottingham, Engeland. Zij was het vijfde kind van John Leeson en Sarah Thorn. Rond 1834 verhuisde het gezin naar Rotterdam. Isabella groeide dus grotendeels in Nederland op, terwijl haar familie een Engelse achtergrond behield. Ze koos voor het onderwijs. In 1850 begon zij als secondante, een soort assistente van het schoolhoofd, aan de meisjeskostschool van Julia Vernhout in Hilversum. Een jaar later behaalde zij haar examen voor onderwijzeres. De school groeide en verhuisde in 1853 naar een nieuw gebouw. Isabella bleef er nog enkele jaren werken. Ze maakte er indruk met haar manier van lesgeven en haar omgang met de leerlingen. Een schoolinspecteur schreef lovend over de school: de vakken van het lager onderwijs en vreemde talen werden goed behandeld en vooral stilte, orde, welstand en beleefdheid vielen op. Isabella deed hier belangrijke ervaring op die haar later in Ede goed van pas zou komen.

In 1856 kwam Isabella naar Ede. Ze kreeg een betrekking aan de Bijzondere School der eerste klasse voor meisjes, een school die kort daarvoor was opgericht door J. Rooseboom en enkele notabelen uit Ede. Aanvankelijk leek Isabella assistente te worden van Maria Hendrika Los, de hoofdonderwijzeres. Maar er ontstond een onverwachte ontwikkeling. Maria Los trouwde in november 1856 en moest volgens de toenmalige regels haar betrekking opgeven. Daarmee kwam Isabella plotseling in beeld. Ze werd op 18 november 1856 benoemd tot onderwijzeres aan de bijzondere meisjesschool. Nog belangrijker was dat zich in Ede een nieuwe mogelijkheid aandiende: er bleek behoefte te bestaan aan een school voor meisjes waarvoor de ouders zelf betaalden. Isabella zag die kans.

In 1857 vroeg zij het gemeentebestuur om haar te benoemen tot hoofdonderwijzeres en kostschoolhoudster van een nieuw op te richten Bijzondere School der tweede klasse voor meisjes. Op 7 december 1857 begon zij met haar nieuwe functie. De school was aanvankelijk gevestigd in Dorpsstraat 74, een dubbel herenhuis dat De Brouwerij werd genoemd. Het pand was eigendom van baron Van Wassenaer. Isabella had daarmee haar eigen onderwijsinstelling. De school bood meisjes een veel bredere opleiding dan alleen lezen, schrijven en rekenen. Er werd onderwijs gegeven in onder meer Nederlands, Frans, Engels en Duits, maar ook in vrouwelijke handwerken. Isabella zelf gaf daarnaast lessen in geschiedenis, aardrijkskunde, plant- en dierkunde, rekenen en natuurkunde.

Het aantal leerlingen groeide snel. Vanuit ongeveer zestien leerlingen liep het aantal in de daaropvolgende jaren op tot ongeveer 36. De meisjes kwamen niet alleen uit Ede, maar uit verschillende delen van Nederland. Een groot deel was tussen de vijftien en zestien jaar oud en verbleef intern tot het moment waarop zij hun opleiding hadden voltooid.

In 1858 verhuisde Isabella haar school naar een ander pand. Dat stond bekend als Buitenzorg. Hier ontwikkelde de kostschool zich verder. Het was geen eenvoudige dorpsschool, maar een internaat waar meisjes onderwijs, opvoeding en verzorging kregen. De school bood een breed programma en besteedde veel aandacht aan talen en algemene ontwikkeling. Het dagelijkse leven van de leerlingen was strak georganiseerd. De dag begon al om half zeven. Daarna volgden ontbijt, voorbereiding van de lessen, onderwijs, maaltijden, ontspanning en opnieuw lessen. 's Avonds was er gelegenheid voor ontspanning en om negen uur gingen de leerlingen naar boven. Om half tien lagen zij in bed. Ook in het weekend waren er activiteiten. Er werden lange wandelingen gemaakt in de omgeving. De leerlingen bezochten de kerk en soms waren er Bijbelbesprekingen. Muziek speelde een belangrijke rol en de meisjes voerden toneelstukjes op. Zo ontstond in Buitenzorg een kleine leefgemeenschap waarin onderwijs en opvoeding nauw met elkaar waren verbonden.

Dat het instituut aantrekkingskracht had, blijkt uit de herkomst van de leerlingen. Ongeveer tachtig procent kwam van buiten Ede. Ouders stuurden hun dochters vanuit verschillende delen van Nederland naar Buitenzorg. Een verblijf was niet goedkoop. Uit een rekening uit 1876 blijkt dat drie maanden onderwijs, kost en inwoning ongeveer ƒ 200 kostten. Voor meisjes die thuis bleven wonen bedroegen de kosten ongeveer ƒ 70. Boeken, muziek, gymnastiek en andere activiteiten kwamen daar nog bij. Isabella kon daardoor een goed inkomen verwerven. Uit gemeentelijke gegevens blijkt dat zij in 1859 ongeveer ƒ 4.575 aan inkomsten opgaf, in 1861 ƒ 5.900 en in 1865 zelfs ƒ 8.150. De precieze betekenis van deze bedragen is niet helemaal duidelijk, omdat niet bekend is in hoeverre bedrijfskosten daarin waren verwerkt. In 1870 was zij in ieder geval financieel sterk genoeg om samen met haar zus Hannah Buitenzorg te kopen.

Juist hier wordt het verhaal van Isabella Leeson bijzonder. Haar belangstelling ging veel verder dan de leerlingen van haar eigen kostschool. Ze zag de grote verschillen tussen arm en rijk in het negentiende-eeuwse Ede en besloot daar iets aan te doen. Een belangrijk voorbeeld was Ederveen. In 1868 onderzochten Isabella en haar leerlingen de leefomstandigheden van de bevolking daar. Ze verzamelden gegevens over gezinnen, het aantal kinderen, schoolbezoek, beroepen, huisvesting en de redenen waarom kinderen niet naar school gingen. Wat ze aantroffen was schrijnend. Van de 96 woningen waren er slechts negen van steen gebouwd. 42 waren van hout en maar liefst 23 woningen bestonden uit plaggen. Twee gezinnen bleken zelfs in een gat in de grond te wonen. Isabella wilde daar niet bij blijven staan.

Samen met haar zus Hannah maakte zij een brochure over de situatie in Ederveen. De bedoeling was om de welgestelde bevolking in Nederland duidelijk te maken hoe slecht sommige gezinnen in Ederveen leefden. De actie had succes. Er kwamen geldelijke giften binnen, maar ook goederen. Aan het einde van 1868 was maar liefst ƒ 3.225,10 ingezameld. Het geld werd gebruikt om de grootste nood te lenigen en om plannen voor betere woningen te verwezenlijken. In 1869 werd een naaischool opgericht. Het jaar daarop kwam er een eerste nieuw huis. Isabella bleef de ontwikkeling volgen en in 1876 waren al zeven plaggenhutten vervangen. Dit was een opmerkelijke vorm van sociaal engagement voor een vrouw in het negentiende-eeuwse Nederland.

Isabella en Hannah wilden hun werk structureel organiseren. In 1867 vroegen zij erkenning voor een vereniging die zich met de verbetering van Ederveen zou bezighouden. Het duurde echter tot 14 januari 1875 voordat de akte van de Stichting Ederveen werd ondertekend.

De doelstellingen waren breed. De stichting wilde onder meer:

  • goede woningen voor arbeiders tegen een redelijke huur;
  • een naai- en breischool voor meisjes;
  • het bevorderen van onderwijs;
  • en het stimuleren van schoolbezoek.

Isabella en Hannah werden bestuursleden. Daarmee legden zij de basis voor een initiatief waarvan de gevolgen nog jaren zichtbaar zouden blijven.

Isabella hield zich eveneens bezig met de Protestantse Bewaarschool in Ede, bedoeld voor jonge kinderen, vooral uit arme gezinnen. Zij was betrokken bij het bestuur en hielp bij het verkrijgen van financiële middelen. Ook leerlingen van haar eigen kostschool werden bij het werk betrokken. Zij hielpen bijvoorbeeld bij inzamelingen en deelden rond Sinterklaas kleding en speelgoed uit aan kinderen van de bewaarschool. Daarnaast bestond er een naai- en breischool voor meisjes. Daarmee wilde men jonge vrouwen aanvullende vaardigheden geven die later van nut konden zijn. 

Isabella stond niet alleen in haar maatschappelijke activiteiten. Ze werkte samen met haar zus Hannah, haar vroegere schoolhoofd Julia Vernhout en verschillende mensen uit de Edese samenleving. Ook de kerkelijke en maatschappelijke wereld speelde een rol. Ze zamelde geld in voor de Utrechtse Zendingsvereniging en de Nederlandsche Zendings Vereeniging. Tijdens de watersnood van 1876 zette zij zich in voor slachtoffers en ook voor individuele gezinnen in nood werd hulp georganiseerd. Haar leerlingen deden mee. Daarmee gebruikte Isabella haar kostschool niet alleen als onderwijsinstelling, maar ook als plaats waar jonge vrouwen leerden dat maatschappelijke betrokkenheid bij het leven hoorde.

In 1879 overleed Hannah Leeson, slechts 55 jaar oud. Zij liet haar aandeel in Buitenzorg aan Isabella na. Isabella was inmiddels steeds meer afhankelijk van anderen geworden voor de dagelijkse leiding van haar kostschool. In 1879 namen Jeanette Kropff, haar zus Jacoba en Emilia Piquet de leiding over. Isabella bleef nog enige tijd betrokken, maar haar gezondheid ging achteruit. In 1882 werd zij ernstig ziek. Ze vertrok naar Utrecht om daar verzorgd te worden. Op 15 februari 1883 overleed Isabella Leeson in Utrecht. Ze was slechts 53 jaar oud. Haar begrafenis vond plaats in Ede. Haar leerlingen maakten zestien rouwkransen en waren diep onder de indruk van haar overlijden. Een leerling schreef later dat zij allemaal “ondersteboven” waren van haar dood. Dat geeft misschien wel beter dan officiële documenten aan hoe sterk de band tussen Isabella en haar leerlingen was.

Ook na haar dood bleef Isabella haar maatschappelijke idealen trouw. In haar testament liet zij geld na aan verschillende instellingen: ƒ 500 voor de Protestantse Bewaarschool; ƒ 200 voor de Utrechtse Zendingsvereniging; ƒ 300 voor de Diaconie Armen in Ede en daarnaast kregen haar dienstboden ieder ƒ 100. Haar huisraad werd verkocht. De verkoop bracht uiteindelijk ƒ 3.592,50 op. Het duurste afzonderlijke voorwerp was een piano, die ƒ 220 opleverde. Daarmee kwam een einde aan het leven van een vrouw die in enkele tientallen jaren een opmerkelijke positie in Ede had opgebouwd.

Na Isabella's overlijden ging de kostschool verder. De school verhuisde uiteindelijk naar Sterrenberg, later vertrok een deel van de leiding naar andere plaatsen. Daarmee verdween geleidelijk het instituut dat Isabella in Ede had opgebouwd. Maar haar betekenis reikte verder dan haar kostschool. Isabella Leeson was een van die negentiende-eeuwse vrouwen die niet alleen binnen hun eigen beroep actief waren, maar zich ook verantwoordelijk voelden voor de samenleving om hen heen. Ze combineerde onderwijs met liefdadigheid, onderzoek met praktische hulp en persoonlijke betrokkenheid met structurele verbeteringen. 

Voor Ede is vooral haar werk in Ederveen van belang. Zij keek naar de erbarmelijke omstandigheden waarin sommige inwoners leefden en besloot niet alleen geld te geven, maar de problemen te onderzoeken en daadwerkelijk aan te pakken. Woningen, onderwijs en ontwikkeling van meisjes vormden daarbij de belangrijkste pijlers. Daarmee was Isabella Leeson veel meer dan de Engelse kostschoolhoudster uit de negentiende eeuw. Ze was een onderwijzeres, onderneemster en maatschappelijk hervormster die een duidelijke stempel op het Ede van haar tijd heeft gedrukt.

Haar graf bevindt zich samen met dat van haar zus Hannah op een begraafplaats in Nottingham, waarmee het levensverhaal van de beide Engelse zusters uiteindelijk weer terugkomt bij hun oorspronkelijke vaderland.

Bron: dit artikel is gebaseerd op Patty Gonggrijp, “Isabella Leeson, een maatschappelijk gedreven kostschoolhoudster”, De Zandloper, 2021-4, p. 3–15, uitgegeven door de Vereniging Oud Ede. De auteur heeft daarvoor onder meer gebruikgemaakt van het Gemeentearchief Ede, archieven in Rotterdam, Delft en Wassenaar, het Nationaal Archief en verschillende familie- en historische collecties.