Inslag van de V1 'vliegende bom' in december 1944 | Hoe zat dat?
Op woensdag 27 december 1944, rond acht uur 's ochtends, werd Ede getroffen door een Duitse V1, die neerstortte op de hoek van de Verlengde Maanderweg en de Kamperfoelielaan. Bij de ontploffing kwamen ongeveer vijftien mensen om het leven. Verschillende woningen werden volledig verwoest en andere zwaar beschadigd.
Het ging niet om een gewone vliegtuigbom, maar om een V1-vliegende bom, een onbemand Duits straalwapen. De Duitsers gebruikten deze wapens om doelen op grote afstand te bestoken, vooral in België en later ook Engeland. V1's konden door technische problemen voortijdig neerstorten, met rampzalige gevolgen voor de bevolking.
De ontploffing trof een gedeelte van de woonbebouwing langs de Verlengde Maanderweg. Volgens de historische documentatie werden de volgende huizen vernield of zwaar beschadigd: Verlengde Maanderweg 81, 83, 85 en 87, aan de overzijde de nummers 98, 100, 102, 104, 106 en 108. De explosie veroorzaakte een enorme ravage. Woningen stortten in, bewoners raakten onder het puin bedolven en de omgeving lag vol met brokstukken. Een bijzonder verhaal is dat van de familie G. van Weerd, die op nummer 108 woonde. Ondanks de zware verwoesting van hun woning werden alle gezinsleden levend onder het puin vandaan gehaald.
De ramp vond plaats tijdens de laatste oorlogswinter, toen Ede nog door Duitse troepen bezet was. Voor de bewoners was het een nieuwe tragedie, slechts drie maanden na de zware geallieerde bombardementen van 17 september 1944.
De familie Pasma: één van de getroffen gezinnen
De V1-inslag is ook verbonden met de geschiedenis van een Edese olympiër Tjeerd Pasma, die bij de explosie omkwam. In april 2026 besteedde EdeStad uitgebreid aandacht aan zijn herdenking. Op 27 december 1944 stort rond acht uur ’s ochtends een Duitse V1 voortijdig neer op enkele woningen aan de Verlengde Maanderweg in Ede. De explosie richt een enorme ravage aan. Van de getroffen huizen blijft nauwelijks iets over.
Tjeerd Pasma, die met zijn gezin op nummer 83 woont, wordt levend onder het puin vandaan gehaald. Hij is echter zwaargewond en overlijdt een dag later in het noodziekenhuis Buitenzorg, waar nu nog een restaurant is gevestigd. Zijn dertienjarige dochter Gerda komt eveneens om het leven. Zij is al overleden wanneer de hulpverleners haar onder het puin vandaan halen. Zijn vrouw Klasina en hun twee zonen, de elfjarige Andy en de vierjarige Tjipke, overleven de explosie. Ook hun werkster, Marie Teunissen-van Holland, ontsnapt op wonderbaarlijke wijze aan de ramp. Zij is kort daarvoor naar huis teruggekeerd omdat ze haar schort was vergeten. Daardoor is ze niet aanwezig wanneer de V1 inslaat.
Nog geen drie maanden na vorige inslag
Er vond nog een andere verwoestende bominslag plaats aan de Verlengde Maanderweg. Tijdens het geallieerde bombardement van 17 september 1944 werd het huis op nummer 11 getroffen. Daarbij kwamen drie leden van de familie Sukkel om het leven: Aaltje Sukkel-Kleijer en haar dochters Willy en Maartje.
De verwoestende werking van de inslag van de V1 aan de Verlengde Maanderweg | Bron Historisch Museum Ede | ingekleurd en verbeterd met AI
Ooggetuige: Cor Boers
Een inmiddels overleden oom van de familie van de Weerd, Cor Boers heeft voor zijn kinderen en familie een boekje over zijn leven geschreven. Hij noemt zich in dat boekje “Kees”. Onderstaand een paar bladzijden over die V1 aan de Verlengde Maanderweg waar hij ook woonde op nummer 99. Het huis staat er nog steeds en maakt al heel lang deel uit van garage Kroon. Gerrit Boers was van 1927 t/m 1952 postbesteller in Ede. Daarna is hij geëmigreerd naar Australië. Tekst opgenomen, met toestemming van de familie.
"Zoals eerder beschreven, was het een onrustige tijd zo dicht bij het front. Zaterdag 21 oktober 1944 om half 5 's middags werd Ede weer gebombardeerd door geallieerde vliegtuigen. Hierbij vielen tien doden, waarbij uit één gezin vader, moeder en drie kinderen.
Inmiddels was op 21 oktober 1944 door de Duitsers opdracht gegeven dat alle mannen tussen 17 en 50 jaar zich moesten melden om in het ontruimde gebied verdedigingswerken aan te leggen. Kees en zijn vader meldden zich niet en zorgden er voor zo weinig mogelijk op straat te komen (zie bijlage 2). Als er geruchten waren dat er een razzia zou komen, gingen Kees en zijn vader slapen bij de overburen, een politieagent, in de verwachting dat politie en Duitsers deze woning niet zouden doorzoeken. In december werd het gevaar om opgepakt te worden weer wat minder omdat de verdedigingswerken klaar waren. Dat betekende dat er weer wat meer bewegingsvrijheid was voor Kees.
In Juni 1944 waren de Duitsers begonnen Engeland te bestoken met in Nederland afgeschoten vliegende bommen, de V-1. Een aantal van deze V-1's hadden hun route over Ede en zelfs over het huis van Kees. Vaak haperde de voortstuwing van deze nieuwe wapens en het was dan ook een angstig moment als zo'n ding overkwam en je hoorde dat de voortstuwing niet regelmatig werkte. Tussen juni 1944 en maart 1945 zijn in Ede acht van deze zware bommen neergestort en ontploft, gelukkig meestal buiten de bebouwde kom. Echter op 27 december 's morgens om 8 uur ging er weer iets fout met zo'n V-1. Kees stond in de keuken en hoorde de voortstuwing stoppen en zag het gevaarte naar beneden komen en met een bocht vlak bij neerstorten met een zware ontploffing. Het bleek dat het projectiel was gevallen op het huis van een vriend van Kees, op een afstand van 150 meter van Kees' huis. Van het huis van de vriend was alles verdwenen, er was alleen een grote krater over. De vriend, zijn ouders en zijn opa waren gedood, alsmede 12 andere omwonenden en voorbijgangers.
Van het huis van Kees waren alle ramen er uit, veel dakpannen van het dak, de panelen uit de binnendeuren en de boardplafonds gedeeltelijk los geraakt. Kees zelf was blijkbaar door een scherf aan zijn oor verwond en bloedde hevig. Echter bleek de wond mee te vallen en na enige dagen met een verband om zijn hoofd te hebben rondgelopen was de wond genezen. De vader, moeder en broer van Kees mankeerden niets. Bekomen van de eerste schrik en danig onder de indruk van wat zij buiten zagen aan slachtoffers en verwoesting, begonnen Kees en zijn vader met hout en ander materiaal de ramen zo goed mogelijk dicht te maken. De moeder van Kees wilde niet in het huis blijven en ging met jongere broer van Kees per fiets naar haar ouders in Veenendaal. Toen na een dag het huis weer enigszins dicht was gemaakt, sliep Kees met zijn vader in één bed in het donkere huis. Dat wil zeggen zij waren zo moe dat zij nu en dan wel sliepen, maar bij elke V-1 die overvloog schrokken zij wakker. De volgende dag begonnen zij de dakpannen weer goed te leggen, maar het bleek dat veel dakpannen gebroken waren. Kees' vader herinnerde zich dat zijn broer in Veenendaal een partij dakpannen had.
Dus 's middags liepen Kees en zijn vader met een geleende handkar de 9 kilometer naar Veenendaal en daarna met de met dakpannen volgeladen kar weer terug. De volgende morgen werden de pannen op het dak gelegd en toen bleek dat er meer nodig waren. Terwijl zij zo bezig waren kwam een zuster van Julie voorbij en die zag dat Kees zijn hoofd in het verband had. Toen zij dat aan Julie vertelde schrok die erg, want de contacten stonden door de omstandigheden wel op een laag pitje, maar dat betekende niet dat men niets meer voor elkaar voelde. Die middag werd nogmaals een voettocht van totaal 18 kilometer gemaakt om dakpannen te halen en de volgende morgen werd het dak weer geheel hersteld. In de weken daarna zag Kees' vader kans om nog wat glas voor de ramen te ruilen tegen spek en vlees, zodat na enige tijd weer wat daglicht in de woning doordrong. Na de bevrijding vond de totale reparatie van de woning plaats.
Toen het huis begin januari 1945 weer enigszins bewoonbaar was kwamen Kees' moeder en zijn broer weer terug naar Ede. De maanden januari, februari en maart lag Ede duidelijk tegen de frontlinie. Het was voor het gezin van Kees en alle Edenaren een bedreigende situatie met een zeer slecht voedselvoorziening en bij de minste aanleiding wreed optredende Duitsers. Om sabotage en spionage te voorkomen gold er een spertijd van acht uur 's avonds tot zonsopgang 's morgens. Dat betekende dat niemand in die periode buitenshuis mocht komen, behalve degenen die daarvoor een vergunning ("ausweis") hadden, zoals politie, brandweer en huisartsen. Behalve dat de voedselvoorziening zeer slecht was, functioneerden door brandstofgebrek de openbare nutsvoorzieningen maar zeer beperkt. Na 22 november 1944 was er alleen elektrische stroom van 7 tot 9 uur 's morgens en van 5 tot 9 uur 's avonds, op 13 december 1944 werd de gaslevering gestopt en vanaf 26 januari 1945 was er alleen water van 7 tot 12 uur 's morgens.
Eigenlijk zat iedereen deze maanden te wachten op het einde van de oorlog, daarbij zorgend om zo min mogelijk op te vallen om niet in de handen van de Duitsers te komen. De tijd werd gevuld met allerlei werkzaamheden om de miserabele voedings- en verwarmingssituatie te overleven. Begin april 1945 rukten de geallieerden vanuit het zuiden op naar Zutphen en Deventer, waarna de IJsel werd overgestoken. Na felle gevechten met de Duitsers bereikten de geallieerde troepen op dinsdag 17 april Ede. Eindelijk was Ede na 5 jaar bevrijd, maar de geallieerde opmars werd door de Duitsers gestopt zo'n 8 kilometer westelijk van Ede bij de Grebbelinie. Dus Veenendaal en alles westelijk daarvan werd niet bevrijd. Deze situatie bleef zo tot op 5 mei 1945 de Duitsers capituleerden en de rest van Nederland ook vrij was.
De periode van 17 april tot 5 mei lag Ede dus wederom in de frontlinie. Nu lag het front weer ten westen van het dorp, evenals in mei 1940. Ook deze periode vielen er weer slachtoffers onder de burgerbevolking en ondergrondse strijders, die nu met de geallieerden openlijk tegen de Duitsers vochten. Woensdag 18 april was het feest in Ede, dat wil zeggen iedereen trok naar het centrum en liep daar getooid met oranje strikken en sjerpen, terwijl van de huizen en winkels de Nederlandse vlag was uitgestoken."
Verlengde Maanderweg 99 met links op de achtergrond de Zuiderkerk (nu: Beatrixkerk). Bron: fam. van de Weerd