De wildwal rond Ede | Hoe zat dat?
Wie vandaag door het buitengebied van Ede wandelt, ziet op sommige plaatsen nog opvallende wallen en greppels in het landschap. Ze lijken op het eerste gezicht misschien gewone oude perceelgrenzen, maar sommige daarvan hebben een veel oudere geschiedenis. Een goed voorbeeld is de wildwal die eeuwenlang de landbouwgronden rond Ede moest beschermen tegen wild uit de bossen. De wildwal was ooit een belangrijk onderdeel van het landschap rond Ede. Hij vormde een grens tussen het bosgebied en de akkers en moest voorkomen dat wilde dieren de gewassen vernielden.
De wildwal bestond eigenlijk uit een combinatie van een greppel en een aarden wal. Langs de landbouwgrond werd een diepe sloot gegraven. De aarde die daarbij vrijkwam, werd aan de kant van de akkers opgeworpen. Zo ontstond een hoge wal. Op die wal kwam vervolgens een afrastering. Daarvoor werden palen in de grond gezet die met planken werden verbonden. Ook werd er eikenhakhout op de wal geplant. Het geheel vormde zo een stevige hindernis. De constructie had een duidelijk doel: het wild uit de bossen moest buiten de akkers blijven. Vooral wilde zwijnen, herten en reeën konden grote schade aanrichten. In het Edese Bos leefden deze dieren in grote aantallen. Wanneer ze vanuit het bos de landbouwgronden bereikten, konden ze in korte tijd een akker met graan of aardappelen ernstig beschadigen. Voor de boeren was de wildwal daarom geen luxe, maar een noodzakelijke bescherming van hun bestaan.
Van Wageningen tot Lunteren
De wildwal rond Ede maakte deel uit van een veel langere verdedigingslijn tegen het wild. Volgens de oude beschrijvingen liep deze van Wageningen tot aan “Het Hek” bij Lunteren. Het ging dus niet om één kleine wal, maar om een kilometerslange structuur die verschillende buurtschappen en landbouwgebieden beschermde. Het Edese gedeelte lag vooral op de grens van het bos en de landbouwgronden van de buurtschap Ede-Veldhuizen. Maar de precieze ligging van de wal is lange tijd onderwerp van discussie geweest.
Dat de wildwal al eeuwen bestond, blijkt uit de oude notulen van de buurtschappen. Op 12 december 1685 besloten de buurtmeesters van Ede-Veldhuizen dat de zogenaamde Wiltgrave goed onderhouden moest worden. De bewoners die financieel verantwoordelijk waren voor het onderhoud moesten hun bijdrage leveren. Dat is belangrijk: de wildwal was kennelijk niet alleen een oud overblijfsel, maar een voorziening waarvoor de plaatselijke gemeenschap daadwerkelijk gezamenlijk verantwoordelijkheid droeg. Tien jaar later, op 3 februari 1695, kwamen opnieuw klachten binnen over de toestand van de wildgraaf. De buurtschappen Ede-Veldhuizen, Manen en Doesburg besloten daarom gezamenlijk te overleggen over herstel en onderhoud. De wildwal was dus aan het einde van de zeventiende eeuw nog volop in gebruik.
Het probleem wordt steeds groter
In de achttiende eeuw werd de situatie ernstiger. Vooral in 1771 liep het helemaal uit de hand. Grote kudden wilde zwijnen trokken de landbouwgronden in en richtten enorme schade aan. Akkers werden omgewoeld en gewassen gingen verloren. Dat was voor de boeren een ramp. Een slechte oogst betekende immers niet alleen minder inkomsten, maar kon ook direct gevolgen hebben voor de voedselvoorziening van een gezin. De gebeurtenissen van 1771 maakten opnieuw duidelijk hoe belangrijk een goed onderhouden wildwal was.
Waar liep de wildwal precies?
Op oude kaarten is de wildwal namelijk niet altijd duidelijk aangegeven. De bekende kaart in De Geschiedenis van Ede, deel I, geeft wel een tracé, maar volgens Ossenkoppele (Zandloper, 1986) klopt dat op enkele plaatsen niet. Daarom ging hij niet alleen af op kaarten en documenten. Hij keek ook naar het landschap zelf. En dat leverde interessante aanwijzingen op. Op verschillende plaatsen waren nog steeds resten van de oude wal zichtbaar. Vooral in het gebied richting Doesburg en Manen waren de sporen volgens de auteur duidelijk herkenbaar. Op sommige plaatsen was de wal vrijwel verdwenen. Dat had volgens hem een logische oorzaak.
De zandverstuivingen waren een probleem
Een deel van het vermoedelijke tracé liep door een gebied met zandverstuivingen. Daar was een wildwal moeilijk aan te leggen en vooral moeilijk te onderhouden. Een gegraven greppel en opgeworpen wal konden door het stuivende zand telkens weer worden bedekt. Ossenkoppele vermoedde daarom dat op bepaalde plaatsen geen sporen meer te vinden waren omdat de wal daar door de zandverstuivingen was verdwenen. Op andere plaatsen waren de resten juist nog heel duidelijk. Dat maakt de wildwal tegenwoordig tot een interessant archeologisch en landschappelijk verschijnsel: wie weet waar hij moet zoeken, kan op sommige plekken nog letterlijk de oude structuur van het landschap herkennen.
De wal bij Kernhem
Een belangrijke aanwijzing komt uit de buurtboeken van Ede-Veldhuizen. Op 28 december 1779 werd vermeld dat de graaf van Wassenaar een stuk heidegrond van de buurtschap kocht. Het terrein lag tussen de wildwal en de allee van Kernhem, de huidige Doolhoflaan. Aan de westzijde lagen de bouwlanden van de boerderij Engelenhoven, die eveneens tot de bezittingen van de graaf behoorde. Deze vermelding helpt om het verloop van de wildwal in het gebied rond Kernhem te reconstrueren. In hetzelfde jaar kwamen opnieuw klachten over de toestand van de wal. De buurtschappen besloten daarom dat de wildwal moest worden onderhouden vanaf Kernhem tot aan de Paasberg. Daar begon het gebied van de Doesburgerbuurt.
De Doesburgerbuurt
In het gebied van de Doesburgerbuurt zijn ook nog opvallend duidelijke resten van de wildwal te zien. Dat maakt dit deel van het oude tracé bijzonder interessant. De wal was hier niet alleen een historische vermelding op papier, maar nog daadwerkelijk als landschapselement aanwezig. De combinatie van oude documenten en zichtbare sporen maakte het daardoor mogelijk om het oorspronkelijke verloop van de wal beter te reconstrueren.
Waarom verdween de wildwal?
Na 1779 worden in de bronnen geen nieuwe meldingen meer gevonden over het onderhoud van de wildwal. Dat roept een interessante vraag op: waarom was de wal niet langer nodig? Het prikkeldraad kan de functie niet hebben overgenomen. Prikkeldraad werd immers pas in 1868 in Amerika uitgevonden. De verklaring kan zijn dat de wildstand in de loop van de negentiende eeuw sterk af nam. De jacht speelde daarbij vermoedelijk een belangrijke rol. De dieren werden intensiever bejaagd en daardoor werd het steeds minder noodzakelijk om de landbouwgronden tegen grote hoeveelheden wild te beschermen. Uiteindelijk konden de boeren hun akkers weer verbouwen zonder voortdurend bang te hoeven zijn dat wilde zwijnen of ander wild hun gewassen zouden vernielen. De wildwal verloor daarmee zijn functie.
Een landschap vertelt zijn eigen geschiedenis
De geschiedenis van de wildwal laat mooi zien hoe nauw het vroegere landschap van Ede verbonden was met het dagelijks leven. Tegenwoordig ervaren we het bos en de landbouwgronden vooral als verschillende onderdelen van het landschap. Eeuwen geleden vormden zij echter een spanningsveld. In het bos leefden dieren die voor de boeren een directe bedreiging konden vormen. De landbouwers moesten hun akkers daarom letterlijk verdedigen. De wildwal was het resultaat van die strijd. Hij was tegelijkertijd een landschappelijke grens, een landbouwkundige voorziening en een gezamenlijk buurtwerk. De bewoners waren samen verantwoordelijk voor het onderhoud en moesten de kosten met elkaar delen. Daarmee vertelt de wal ook iets over de organisatie van de vroegere buurtschappen.
Het bijzondere is dat de wildwal niet helemaal uit het landschap is verdwenen. Op verschillende plaatsen zijn nog delen van de oude wal en greppel herkenbaar. Vooral in het gebied tussen Kernhem, de Paasberg en Doesburg zijn volgens het onderzoek van Ossenkoppele aanwijzingen voor het oude tracé aanwezig. Wie daar vandaag wandelt, ziet misschien slechts een verhoging in het terrein of een langgerekte greppel. Maar achter zo'n ogenschijnlijk onopvallend landschapselement kan een geschiedenis van honderden jaren schuilgaan. De wal herinnert aan een tijd waarin de boeren van Ede hun gewassen moesten beschermen tegen de dieren die in het bos leefden.
Bron: G.A. Ossenkoppele, “De Wildwal”, De Zandloper, september 1986, nr. 3, p. 9–11. De auteur baseert zich onder meer op de notulen van de buurtschap Ede-Veldhuizen uit 1685, 1695 en 1779, oudere kaarten en nog aanwezige sporen in het terrein.