Ede als garnizoensplaats | Hoe zat dat?


Aan het einde van de negentiende eeuw stond Ede nog bekend als een betrekkelijk arm dorp. Dat zou in korte tijd veranderen. Een belangrijke oorzaak daarvan was de komst van het Nederlandse leger. De aanleg van kazernes maakte van Ede een garnizoensplaats en gaf de plaats een enorme economische impuls. Nederland besloot aan het einde van de negentiende eeuw zijn leger sterk uit te breiden. Er was behoefte aan nieuwe garnizoensplaatsen. Bij de keuze voor een locatie waren vooral twee zaken belangrijk: een goede verbinding met het spoor en voldoende ruimte om te oefenen.  Ede beschikte over beide.


Burgemeester F.S. Op ten Noort zag onmiddellijk kansen. Hij begreep dat een garnizoen veel militairen naar Ede zou brengen en daarmee ook veel extra bedrijvigheid. Hij zette zich daarom actief in om het leger naar Ede te halen. In 1900 werden de eerste belangrijke afspraken gemaakt met de buurtschappen Ede-Veldhuizen en Maanen. Het Rijk kocht grond voor de kazernes en kreeg daarnaast een groot gebied op de Ginkelse Heide in erfpacht als oefenterrein. In totaal werd voor de kazernecomplexen en oefenterreinen ongeveer 208 hectare aangekocht. Daarnaast kreeg het leger maar liefst 656 hectare Ginkelse Heide in erfpacht. Daarmee was de basis gelegd voor Ede als garnizoensstad.

In 1906 werd het garnizoen Ede officieel ingesteld en werden de eerste infanteriekazernes in gebruik genomen. Twee jaar later volgden de kazernes voor de bereden wapens: de Veldartillerie en de Cavalerie. Deze kazernes kwamen aan de rand van het dorp te liggen, in de omgeving van de huidige Stationsweg en Klinkenbergerweg. De twee complexen kregen de namen Van Essenkazerne voor de Veldartillerie en Arthur Koolkazerne voor de Cavalerie. De bouw was omvangrijk. Het ging niet om één groot gebouw, maar om een compleet militair dorp met tientallen gebouwen. De kazernes voor de bereden wapens waren anders ontworpen dan de oudere infanteriekazernes. Ze waren minder massief en kregen een opvallende chaletachtige bouwstijl. In totaal stonden er ongeveer 48 gebouwen. Er waren natuurlijk legeringsgebouwen voor de soldaten, maar een groot deel van het terrein was nodig voor de paarden en alles wat daarbij hoorde. Er moesten ongeveer 500 paarden worden ondergebracht.

Daarom waren er: grote paardenstallen; rijloodsen; open rijbanen; smederijen; werkplaatsen; hooi- en stroopslagplaatsen; havermagazijnen; mestbakken; een ziekenstal; een munitiegebouw; voertuigenloodsen; keukens en kantines; gymnastiek- en schermzalen en verschillende andere gebouwen. Officieren woonden niet op het kazerneterrein, maar werden elders in Ede gehuisvest. De beide grote legeringsgebouwen konden samen ongeveer 710 onderofficieren, korporaals en manschappen huisvesten. De combinatie van soldaten én honderden paarden maakte de kazernes tot een klein dorp op zichzelf.

Een indrukwekkend complex

Het terrein besloeg bijna 11 hectare. Er werd ongeveer 15.000 vierkante meter aan bestrating aangelegd. Alle gebouwen waren van baksteen. De daken kregen grote hoeveelheden dakpannen en veel gevels werden voorzien van houten sierdetails. Daardoor kregen de kazernes een karakteristiek uiterlijk dat sterk verschilde van de zware, massieve kazernes die elders waren gebouwd. Bij de hoofdingang stonden de beide kantinegebouwen. Door de overdekte terrassen hadden wel iets weg van een 'vakantieoord'. Ook technisch waren de kazernes voor hun tijd modern. De gebouwen werden verlicht met stadsgas uit het gemeentelijke gasbedrijf. Op het terrein stonden zeven straatlantaarns en 57 gevellampen. Er werd bovendien veel aandacht besteed aan riolering en afvalwater. Dat was geen overbodige luxe. Een terrein met ongeveer vijfhonderd paarden produceerde immers enorme hoeveelheden mest en urine.

Een bijzonder vroeg zuiveringssysteem

Een van de opmerkelijkste onderdelen was de biologische afvalwaterzuiveringsinstallatie. Het afvalwater van de kazernes, inclusief het mestvocht en de urine van de paarden, werd niet zomaar in de omgeving geloosd. Het werd naar een speciale zuiveringsinstallatie geleid. Het was destijds pas de vijfde biologische installatie van dit type in Nederland. De aanleg ervan had ook een voorgeschiedenis. Vanuit Ede waren klachten gekomen over de stank van de oudere afvalwaterinstallaties bij de infanteriekazernes. Bij de nieuwe kazernes werd het daarom beter aangepakt. Ook het regenwater werd afzonderlijk afgevoerd en in de bodem geïnfiltreerd. Voor een militair complex dat rond 1908 werd gebouwd, was dat behoorlijk vooruitstrevend.

De bouw betekende werk voor Ede

De komst van het leger had grote gevolgen voor de plaatselijke economie. Er waren natuurlijk veel mensen nodig om de kazernes te bouwen, maar opvallend genoeg kregen Edese aannemers maar een beperkt deel van het werk. Grote bouwopdrachten gingen grotendeels naar bedrijven van buiten Ede. Toch profiteerde de plaatselijke economie volop. Er kwamen nieuwe bedrijven en voorzieningen. De Edesche Waterleiding Maatschappij vestigde zich in Ede, wasserij Gelria begon hier, melkfabriek Concordia breidde uit en de gemeente begon met een eigen gasbedrijf. Ook de boeren profiteerden. De kazernes hadden grote hoeveelheden stro en paardenvoer nodig. Tegelijkertijd konden boeren de enorme hoeveelheid paardenmest goed gebruiken. Zo zorgden de militairen indirect voor extra inkomsten in allerlei sectoren van de Edese samenleving. Het Rijk wilde duidelijk snel vooruit en Ede werkte daar graag aan mee.

Een snelle bouwprocedure

De bureaucratie rond de bouw was uitgebreid, maar de gemeente Ede werkte opvallend snel. Een bouwaanvraag die op 24 december 1906 werd ingediend, werd al op 27 december goedgekeurd. De twee dagen daartussen waren nota bene de kerstdagen. Ook andere vergunningen werden in hoog tempo afgehandeld. Het Rijk wilde duidelijk snel vooruit en Ede werkte daar graag aan mee.

Van militaire basis naar historisch erfgoed

De kazernes hebben uiteindelijk ruim een eeuw deel uitgemaakt van het Edese landschap. In de loop der jaren veranderde er veel. Sommige gebouwen werden gesloopt, andere werden ingrijpend aangepast aan nieuwe militaire functies. Daardoor is het oorspronkelijke ontwerp van het complex tegenwoordig minder goed herkenbaar. Toch zijn verschillende gebouwen bewaard gebleven. Een aantal heeft de status van rijksmonument of gemeentelijk monument gekregen. Vooral de oude stallen en de rijloods zijn waardevol omdat ze samen een herkenbaar geheel vormen. Dat geheel noemt men een ensemble. Juist de samenhang tussen de gebouwen vertelt het verhaal van de oorspronkelijke functie. Een paardenstal is bijvoorbeeld veel interessanter wanneer je die kunt zien in relatie tot de andere stallen, de rijloods en de voormalige legeringsgebouwen.

Waarom behoud belangrijk is

Een oud militair gebouw behouden is namelijk niet eenvoudig. De gebouwen zijn groot, vaak duur in onderhoud en oorspronkelijk ontworpen voor een functie die inmiddels verdwenen is. Een nieuwe bestemming vinden is daarom noodzakelijk. Maar tegelijkertijd bestaat het gevaar dat een gebouw zo sterk wordt aangepast dat uiteindelijk nauwelijks meer zichtbaar is waarvoor het ooit werd gebouwd. Dat spanningsveld speelt bij veel oude kazernes: hoe geef je een militair gebouw een nieuw leven zonder zijn geschiedenis uit te wissen? Voor Ede is die vraag extra belangrijk. De kazernes vertellen immers het verhaal van de verandering van Ede van een relatief klein dorp in een belangrijke garnizoensstad.

De betekenis voor Ede

De komst van de kazernes rond 1906–1908 was veel meer dan een militaire gebeurtenis. Het leger bracht mensen, werk, bedrijven en geld naar Ede. De aanleg van de kazernes stimuleerde bovendien de ontwikkeling van voorzieningen zoals waterleiding, gasvoorziening en andere infrastructuur. Daarmee vormden de kazernes een belangrijke motor achter de modernisering van Ede. Wat begon met het besluit om het Nederlandse leger uit te breiden, veranderde uiteindelijk het karakter van de hele plaats. De kazernes werden onderdeel van het landschap, maar ook van het dagelijks leven van generaties Edenaren. Duizenden militairen woonden en werkten er, oefenden op de heide en maakten deel uit van de Edese samenleving.

Wie de geschiedenis van Ede in de twintigste eeuw wil begrijpen, kan daarom eigenlijk niet om de kazernes heen. Ze zijn niet alleen oude militaire gebouwen. Ze zijn tastbare herinneringen aan het moment waarop Ede zich ontwikkelde tot garnizoensstad – een ontwikkeling die ruim een eeuw lang grote invloed heeft gehad op het uiterlijk, de economie en het sociale leven van de plaats.


Bron: Kees van Lohuizen, Kazernes voor de bereden wapens te Ede, De Zandloper, september 2011, nr. 3, p. 2–10. Het artikel is gebaseerd op onder meer het Edese gemeentearchief en het in het artikel genoemde revisieboek Ede. Bereden Wapens.