Imkerij in en rond Ede | Hoe zat dat?


Wie aan de geschiedenis van Ede denkt, denkt al snel aan de heide, de schapen, de landbouw en later aan de kazernes en de industrie. Een belangrijk onderdeel van het oude leven in deze streek krijgt echter veel minder aandacht: de bijenteelt. Toch heeft Ede, en vooral de omgeving van De Klomp en Lunteren, eeuwenlang een belangrijke rol gespeeld in de Nederlandse imkerij. De streek was door haar ligging en landschap bijzonder geschikt voor het houden van bijen. Achteraf kan Ede zelfs worden gezien als een van de belangrijke bakermatten van de Nederlandse bijenteelt. Dat is opmerkelijk, want over de geschiedenis van de imkerij in Ede zijn maar weinig schriftelijke bronnen bewaard gebleven. Daardoor lijkt het alsof de bijenteelt in de Edese geschiedenis nauwelijks een rol heeft gespeeld. Wie echter kijkt naar de oude bijenhandel, het landschap en de mensen die zich in Ede met bijenteelt bezighielden, krijgt een heel ander beeld.


De Klomp: centrum van de bijenhandel

Een van de belangrijkste plaatsen was De Klomp. Daar vond vroeger een omvangrijke handel in bijenvolken plaats. De bijenmarkt van De Klomp werd zelfs gerekend tot de grootste bijenmarkten van Europa, mogelijk zelfs ter wereld. In vroegere eeuwen werden hier soms meer dan tienduizend bijenvolken aangevoerd. Een deel daarvan kwam uit Brabant en de Betuwe. Vooral in de Betuwe ontstonden na de bloei van de fruitbomen veel nieuwe bijenvolken. Een sterk bijenvolk kon zich namelijk splitsen doordat een deel van de bijen met een nieuwe koningin de kast of korf verliet. Zo'n nieuw volk werd een zwerm genoemd. Voor de Betuwse imkers waren deze zwermen vaak overtollig. Op de Veluwe waren ze juist zeer welkom. Daar waren volop mogelijkheden om met bijen honing te produceren. De Veluwse boeren verdienden hun geld onder meer met landbouw en schapenhouderij. Wanneer zij hun wol naar de markt brachten, konden zij met de opbrengst daarvan nieuwe bijenvolken kopen. Een goede bijenstal was immers een aantrekkelijke investering.

Heide en boekweit: een ideaal landschap voor bijen

De omgeving van Ede bood de bijen uitstekende omstandigheden. In de negentiende eeuw bestond een groot deel van het landschap uit heidevelden, schrale akkers, houtwallen en bermen. Ook werd op grote schaal boekweit verbouwd. Voor bijen betekende dit een bijna onuitputtelijke voorraad voedsel. In het voorjaar waren er bijvoorbeeld veel wilgen, waarvan de katjes belangrijk stuifmeel leverden. Daarna kwamen paardenbloemen en fruitbomen in bloei. In de zomer konden de bijen terecht bij allerlei bloeiende planten langs akkers, wegen en houtwallen. Later in het seizoen vormden de boekweitvelden en vooral de bloeiende heide de belangrijkste voedselbronnen. De combinatie van boekweit en heide was bijzonder gunstig voor de imker. De bijen leverden niet alleen honing, maar zorgden door hun bestuiving ook voor een betere opbrengst van de gewassen. Soms werden bijenvolken zelfs tijdelijk naar de Betuwe gebracht om daar gebruik te maken van de bloeiende fruitbomen. Daarna konden ze weer terugkeren naar de Veluwe.

De korf als traditionele bijenwoning

De traditionele Veluwse imker hield zijn bijen meestal in een korf. Deze korven werden vaak gemaakt van roggestro. De schrale zandgronden rond Ede leverden daarvoor uitstekend materiaal: het roggestro was taai en stevig en kon goed worden gevlochten. Een traditionele bijenstal kon behoorlijk groot zijn. Rond 1850 bestond een goede Veluwse bijenstal volgens de gegevens die in het artikel worden genoemd uit ongeveer honderd tot 125 overwinterde bijenvolken. Tijdens het bijenseizoen kon dat aantal door het ontstaan van zwermen zelfs ongeveer verdrievoudigen. Voor kleinere imkers was een aantal van ongeveer vijftig volken al voldoende om een behoorlijke bijenhouderij te hebben. De honingproductie was dus niet alleen een liefhebberij. Voor sommige boeren vormde de bijenteelt een belangrijk onderdeel van hun bestaan.

Aalbert van Schothorst: boer én deskundige

Een bijzondere figuur uit deze geschiedenis was Aalbert van Schothorst, die in de Valk bij Lunteren woonde. Hij was niet alleen imker, maar hield zich ook serieus bezig met de wetenschap en praktijk van de bijenteelt. Van Schothorst schreef in 1842 een uitvoerige bijdrage over het leven en gedrag van bijen. Zijn artikel verscheen in de Gelderse Volksalmanak en telde ongeveer zestig pagina's. Hij was daarmee een van de mensen die de traditionele Veluwse imkerij niet alleen in de praktijk beoefenden, maar ook probeerden te begrijpen en vast te leggen. Ook bij een landbouwtentoonstelling in Amsterdam in 1884 liet de toenmalige Lunterse Tuinbouwvereniging producten en materialen uit de Veluwse bijenteelt zien. Daarmee werd de Edese en Lunterse imkerij buiten de eigen streek onder de aandacht gebracht. Van Schothorst verdedigde bij die gelegenheid bovendien de traditionele korfimkerij met negen stellingen.

Het einde van een eeuwenoude traditie

In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde de situatie echter snel. De heidevelden werden op grote schaal ontgonnen. Kunstmest maakte het mogelijk om arme gronden in landbouwgrond om te zetten. Daardoor verdwenen veel heidevelden. Ook de schaapskudden namen af. Dat had indirect eveneens gevolgen voor de heide. Schapen waren namelijk belangrijk voor het traditionele heidebeheer: door begrazing en bemesting hielpen zij het heidelandschap in stand te houden. Tegelijkertijd veranderde de markt. Honing en bijenwas kregen steeds meer concurrentie van andere producten. Al deze ontwikkelingen waren ongunstig voor de traditionele imkerij. Het aantal bijenvolken in Nederland nam dan ook sterk af. Waar rond 1850 nog ongeveer 200.000 bijenvolken werden gehouden, was dat aantal in 1896 ongeveer gehalveerd. De oude korfimkerij kwam daardoor steeds meer onder druk te staan.

Van bijenkorf naar bijenkast

De veranderingen leidden ook tot nieuwe ideeën over het houden van bijen. De traditionele korf had namelijk een belangrijk nadeel: de imker had maar beperkte mogelijkheden om in het bijenvolk te kijken en de ontwikkeling ervan te sturen. Daarom werd de houten bijenkast steeds belangrijker. De overgang van korf naar kast verliep overigens niet zonder discussie. Veel traditionele imkers waren overtuigd van de kwaliteiten van de korf en zagen weinig reden om hun werkwijze te veranderen. Toch was de ontwikkeling naar de moderne bijenkast uiteindelijk onvermijdelijk. Daarmee begon een nieuwe periode in de Nederlandse imkerij.

Een Edese pionier: meester Hootsen

Ook bij deze modernisering speelde Ede een belangrijke rol. Een van de grote voorvechters van de moderne bijenteelt was meester Hootsen, destijds hoofd van een school in Ederveen. Hij vond dat de bijenteelt nieuwe mogelijkheden moest onderzoeken. In 1896 wist Hootsen de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw ertoe te bewegen onderzoek te doen naar de toekomst van de imkerij. Dat initiatief had grote gevolgen. Een jaar later werd de Nederlandse Vereniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland opgericht. Opvallend is dat maar liefst drie imkers uit de gemeente Ede bij de oprichting betrokken waren. De eerste was notaris Dinger uit Lunteren, die voorzitter werd. Daarnaast was er meester Wigman, eveneens uit Lunteren, die secretaris werd. De derde was meester Hootsen uit Ederveen. Hootsen en Wigman waren bovendien betrokken bij de redactie van het Maandblad voor de Bijenteelt. Hootsen schreef daarnaast een boek waarin niet alleen de traditionele korfimkerij werd behandeld, maar ook het moderne bijenhouden in kasten. Daarmee stonden Edese imkers dus mede aan de wieg van de overgang naar de moderne Nederlandse bijenteelt.

De geschiedenis van Ede is daarmee niet alleen het verhaal van boeren, schapen, heide, kazernes en industrie. Ook de duizenden bijenvolken die eeuwenlang over de Veluwse heide vlogen, horen bij dat verhaal. ie tegenwoordig door het landschap rond Ede, Lunteren en De Klomp kijkt, ziet nog maar weinig van de wereld waarin de oude imkers hun bijenvolken hielden. De uitgestrekte heidevelden zijn voor een groot deel verdwenen en de landbouw is ingrijpend veranderd. Maar de namen van plaatsen, oude verhalen en historische bronnen herinneren ons eraan dat hier ooit een bloeiende bijenteelt bestond.


Bron: het artikel over de historische betekenis van de bijenteelt in Ede in De Zandloper, jaargang 14, nr. 2, juni 1986, met name de passages over De Klomp, de Veluwse imkerij, Aalbert van Schothorst en de oprichting van de Nederlandse vereniging voor bijenteelt.