Interview met Theo Hendriks | werken rond Parkweg


Interview is afgenomen op vrijdag 23 oktober 2026 te Ede | opgenomen op een telefoon en uitgewerkt door de app Wave. Best te lezen op ene tablet of laptop/pc. Afnemer: Allard Bijlsma.


Allard: Ik zit hier met de heer Theo Hendriks aan de Oranjelaan. Ik ben u gewoon tegengekomen tijdens het wandelen en we zijn toen aan de praat geraakt. U heeft nogal wat dingen gezien en meegemaakt in Ede, op allerlei plekken gezeten met een winkel. Kunt u in eerste instantie iets vertellen over waar u bent geboren en waar u naar school bent geweest?

Theo Hendriks: Ja, mijn naam is Theo Hendriks. Ik ben in Ede-zuid geboren en dat was in 1937. Ik ben geboren aan de Voorsterweg. Daar woonde ik met mijn vader en moeder, met twee zussen en een broer. In 1935 werkte mijn vader bij de ENKA. Dat was in de crisistijd van de dertig jaren. Hij heeft het daar vijf jaar volgehouden, maar toen was hij toch aan de beurt om het veld te ruimen. Nou, de ENKA was altijd een goede werkgever en het werd goed verdiend toen die tijd. In de jaren ’20 en ’30 zijn veel mensen naar Ede voor de ENKA gekomen. En die werden meestal dus gehuisvest in Ede-Zuid. Er waren veel mensen uit de Betuwe, uit de Achterhoek, uit Brabant en uit de buurt van Rotterdam ook. En daaronder waren mijn vader en moeder en die waren dus hier neergestreken. En die woonden eerst in de Blotenberglaan, dat was dus de wijk die door de ENKA gebouwd was. Mijn vader en moeder hebben toen een huis gebouwd aan de Voorsterweg. Maar toen kwam dus het ontslag. Hij kwam niet in aanmerking voor een uitkering, want hij had goed gespaard en hij had een huis. Mijn vader en moeder hebben toen overlegd wat ze zouden gaan doen. Ze moesten toch iets verzinnen. Maar ja, er was nergens werk in die tijd.

Theo Hendriks: En toen wam het idee de handel in te gaan. Hij is dan naar het kantoor van de ENKA gegaan en daar heeft hij zijn pensioen afgekocht. En dat was weer geld. En toen is hij beginnen met venten in textiel. Eerst werd er overlegd: wat zullen we doen? Noemen we groenten of galanterieën of nog wat anders, zoals textiel.

Allard: Dus dat had ook wat anders kunnen worden.

Theo Hendriks: Ja, maar ja, groente, als je alles niet kwijt bent, dan kun je het weggooien. En textiel, dat kunnen we nog eens een keer laten vallen.

Theo Hendriks: Even tussendoor. Hij heeft een boekje schreven over de eerste jaren dat hij dus in de textiel gegaan was. En dat zal ik je zo laten zien.

Allard: Oh, leuk.

Theo Hendriks: Even kijken waar was ik gebleven? Oh ja. Nou, hij in de handel, maar hoe doe je dat dan? Want hij had dus lagere school en hij was fabrieksarbeider. En ja, dan was je niet zo geschoold in hoe de handel in elkaar zat.

Theo Hendriks: En nou, toen is hij dus naar een winkel in het dorp gegaan: Poel. En daar kon hij goederen in consignatie krijgen. Dus hij kreeg wat goederen en ze vertrouwden hem dus natuurlijk en hij ging ermee venten. En dan ging hij weer nieuwe goederen halen. Dus die oude betaalde hij dan en dan kreeg hij daarover 10% korting. Maar ja, dat was liep niet zo hard op dan. Eerst ging hij venten bij collega's die hij kende. Hij moest een beetje erin komen. Maar ja, die hadden ook allemaal ontslag. Het was kom maar een kwel.

Theo Hendriks: En het beste was het om de boer op te gaan. Dat deed hij dus. Maar het was heel erg druk op de boer, want er waren meer mensen die daar rondliepen. Die hetzelfde dachten, ja. Maar het ging wel. De koffer werd twee koffers. En toen ging hij naar Veenendaal en daar was een wolfabriek. Ja, klopt. En dan ging hij naar het kantoor. Gaat u maar zitten, meneer, met een sigaar erbij.

Theo Hendriks: Zoals dat vroeger ging. En nou, zo, zo, ja. Nou, ze hadden wel wat. Er was daar een sokkenfabriek. En ja, sokken, dat ging per half dozijn. Het werd daar een beetje veel natuurlijk, allemaal van hetzelfde. Maar hij probeerde het en hij mocht het doen. Want die waren ook al blij dat ze wat verkochten. En toen kreeg hij, via, via een naam van een grossier in Gouda. En die schreef hij aan. Zo, zo, met allerlei dingen erbij, wat hij deed en kon. En het adres van de Voorsterweg. En op een gegeven moment kwam er dus een man, een vertegenwoordiger, en die was overal op zoek in het centrum naar de Voorsterweg (…).

Theo Hendriks: Die man hielp mijn vader hoe hij dat doen moest aanpakken. En dan moest hij niet zoveel nemen, “neem hem maar van alles wat”, weet je wel. Dat was een hele aardige man. Wij noemden hem als kind vroeger, toen hij jaren bij ons geweest is, altijd de ‘aardige reiziger’. En dat ging steeds beter. En toen kwam er de koffer bij. En toen nog een. En toen achterop nog een. De rieten koffer hebben we nog. Een rieten koffer, en die was al een beetje versleten. Die werd een beetje gerepareerd op de hoeken. En toen werd ik ondertussen ook nog geboren (in 1937).

Theo Hendriks: Nog een mond om te voeden. Ja, niet zoveel natuurlijk. In die tijd stonden aan de Parkweg veel winkels leeg. En daar in het pand waar later Bert André gezeten heeft, dat konden ze huren, want ze stonden allemaal leeg, Ze waren al lang blij dat ze een huurder hadden. En toen zijn mijn ouders daar begonnen. En dat was beneden allemaal. Daarboven zaten bovenhuizen. En dan woonden wij aan de ene kant. Aan de andere kant was de winkel. Met achter een keuken en zo wel. Ja. En toen ging mijn moeder dus in de winkel staan.

Allard: Oh ja. En uw vader ging ook nog op pad?

Theo Hendriks: En mijn vader ging steeds op pad.

Allard: En hebben jullie ook in de oorlogstijd daar gezeten?

Theo Hendriks: Nee, dat was dus voor 1940. Ja. Het werd toen al dreigend, dus de oorlog die dreigde eraan te komen. Er kwam toen wel geld los, want mensen gingen hamsteren.

Allard: Ze hadden sokken nodig en zo.

Winkel aan de Parkweg 81

Theo Hendriks: Enkele jaren ging het beter zo, maar zeiden mijn ouders toen, dat het te klein was. En toen zijn ze verhuisd naar de Parkweg 81. Dat is dus nu op de hoek van de Willem Witsenlaan, die in die tijd nog Parkdwarsweg heette.

Theo Hendriks: Voor de oorlog zijn we daar al heen verhuisd.

Theo Hendriks: Ja, en daar beginnen mijn herinneringen eigenlijk, want ik was toen maar drie jaar of vier jaar toen de oorlog begon. Als klein kind merk je daar niet zoveel van. Ja, wel militairen die dus marcheerden en dan zongen, want die Duitsers zongen altijd. Oh ja, van "Wir fahren gegen Engeland", ja.

Allard: En waren er ook hier in de buurt militairen gehuisvest?

Theo Hendriks: Ja, die waren hier gelegen, in de kazernes hier vlakbij. Maar die marcheerden wel eens door de Parkweg. Ja, en soms zag je wel eens zo'n Feldwebel met zo'n ding rondrijden. Dan beginnen dus eigenlijk mijn herinneringen pas: zo rond vijf, zes jaar.

Theo Hendriks: En toen ik zeven jaar was, toen moest ik naar school natuurlijk. Eerst dus naar de kleuterschool op de Padberglaan. Oh ja. En die was tegenover de lagere school, waar nu die psoriasis-kliniek zit.

Theo Hendriks: En daarboven, woonden er zusters. En daar was achter ook een kleuterschool. We zeiden toen bewaarschool. Nou en toen ging ik dus over naar de eerste klas en die was aan de andere kant van de straat. En ja, daar kwam ik in de eerste klas. En toen was ik zeven jaar en deed de eerste communie zoals dat gewoon was. En ja, dan ging hij dus elke dag naar de kerk. En er werden verschillende missen ‘s morgens gehouden, want toen zaten de kerken nog vol.

Winkel aan de Parkweg | 1965 | foto van A. Nijhoff | Gemeentearchief Ede

Zelfde foto, maar aangepast met AI

Bombardement september 1944

Theo Hendriks: En vooral in de oorlogstijd was het toch allemaal een beetje paniek. En dan konden ze bidden voor de vrede en zo. Of voor de mannen, die niet thuis waren. Dat ze heelhuids terugkwamen. En toen ging ik dus met mijn broer samen naar de kerk toe, naar de dienst van half elf. Mijn broer was misdienaar, dus die hielp dus de pastoor voor in de kerk met het opdragen van de mis. En ik zat daar dus alleen. Toen het bijna was afgelopen, kwam de pastoor nou in één keer op de preekstoel. En we hoorden gerammel in de verte. Hij zei dat we direct de kerk moesten verlaten. Nou en hij had nog niks gezegd en daar ging het los. Iedereen stond op het kerkplein en op de Prins Bernhard aan het begin. Ik was alleen; ik was mijn broer kwijt. Ik hoorde een gejammer en een geschreeuw en overal lawaai. En een ontzettende stand en ook rook. Iedereen lag op de grond. En dan keek je zo stiekem zo. En dan zag je allemaal damestassen liggen en schoenen

en fietsen. Ik weet heel goed. Ik zag een wiel dat draaide, nog van de fiets die weggesmeten was.

Allard: Maar was het alleen paniek of waren er ook mensen getroffen?

Theo Hendriks: Nee, daar niet. Nee, de kerk is pas ’s middags getroffen. Toen wij naar de kerk gingen, zagen wij al heel veel zilveren vliegtuigen. Vogels, in een mooie formatie. En iedereen zei: Oh, die gaan naar Duitsland, dat Ruhrgebied platgooien. Maar toen zijn ze omgekeerd en toen hebben ze de kazernes proberen te raken, maar ze konden niet zo goed richten. En toen vielen er bommen op Ede Zuid. En dat zagen wij (kerk stond aan de Stationsweg), want hemelsbreed is dat niet zo ver.

Theo Hendriks: En we zagen dus allemaal rook, zwarte wolken. Daar was een vrouw van een vriendje van mijn broer. Die dus toen het stil werd, zich ontfermde over haar zoon en ook ons meenam. Nou en wij probeerden eerst dus naar zijn huis te komen via de stationsweg gewoon van ja ...

Allard: Ja, via de spoorwegovergang bij het station.

Theo Hendriks: Maar bij de kazernepoort, die nou net tegenover de Witte Hinde zat, daar werden we tegengehouden. Door Duitse militairen, want op de kazerne waren ook militairen geraakt. Ja, ja, ja. En toen werden we weggeleid, door het Beatrixpark geleid, langs de vuilnisbelt, zoals we die noemden. En toen gingen we dus de.

Allard: En dan ben je bij de kerkweg het spoor over gegaan.

Theo Hendriks: Ja, dan gingen we bij de bakker langs. Daar gingen we de onbewaakte overweg over. En toen op huis aan. Wij woonden aan de Parkweg. Daar hadden mijn ouders dus de winkel, maar we woonden daar ook.

Allard: Ja.

Theo Hendriks: En de hele familie was al eerder naar de kerk geweest. Toen kwamen we dus door de Twijnstraat en we liepen zo naar huis toe. En daar zagen we de kapotte huizen. En daar zagen we allemaal mensen in verband lopen. En mensen met brancards en mensen bezig met alcohol. Het hoofd in verband en zo.

Allard: Dat moet wel impact hebben gehad als je zeven jaar bent. Want uw broertje was dan ouder en die was met u mee op dat moment.

Theo Hendriks: Ja, dat was met mijn broer en die vrouw. En die ging in een huis kijken, want die had daar een zus wonen. Ja en die was getroffen. En dan ging ze kijken of dat was. En toen liep zij naar binnen en wij achter eraan. Daar lag een laken. En daar lag iemand onder met een kind. Dat kind hoorden we later. En we zagen bloed eronder doorkomen.

Allard: Oh, heel erg om te zien.

Theo Hendriks: Ja, heel gek is dat. En toen moesten we nog een stukje die Twijnstraat, door. En dan moesten we de hoek om. We kwamen langs Bakker Snip. Toen kwamen we de hoek om op de Parkweg. En wat het eerste was, kijk, “ons huis staat er nog”.

Allard: Ja.

Theo Hendriks: Nou, gelukkig. Nou, die vrouw ging dus weg, “jullie kunnen het nou alleen wel”. Nou, wij kwamen thuis en er waren dus in de straat, in de eerste Parkdwarsweg, later de Willem Witsenlaan, denk ik, waren dus bommen midden in de weg gevallen. En ook achter die huizen. Maar niet op de huizen. Ja, en ik weet nog goed, alle ramen waren kapot. Ik zei: “Oh, alle ramen”. Dat vond ik dus het ergste.

Allard: Ja, maar als je zeven jaar bent, nou.

Theo Hendriks: Maar dan kwam mijn ongeruste ouders: “Oh, de jongens zijn terug”. Ja, dat was natuurlijk wat. Ze zaten allemaal in de kelder. In dat pand was vroeger een slagerij gevestigd geweest. Vroeger had je geen koelkasten, daar werd alles in kelders bewaard. Het was een grote kelder, en omdat die zo groot was, was dat ook een stevige kelder, met een stenen plafond.

Theo Hendriks: In de schuur achter ons huis, daar werd gewoon geslacht. En in die kelder waren van die grote bakken, pekelbakken. Want ja, daar werd dus dat vlees gepekeld, dan bleef het langer goed. En nou, wij dus naar beneden toe, want er zat de hele familie met de hele buurt.

Allard: Dus jullie kelder was duidelijk groter of beter dan de andere kelders in de straat?

Theo Hendriks: Ja, de gewone kelder van een huis was een houten ding. Nee, dat helpt niet. Ja, dan zat je wel diep. En daar zaten we dus met zo'n veertig mensen. En iedereen, ja, we hebben er hard op gebeden. En dan riep het wel van, oh, en dan eentje kreeg het op de zenuwen. Maar ze waren dus blij dat wij niet getroffen waren.

Theo Hendriks: En toen ‘s middags was er weer vliegtuigverkeer. En toen werd dus een achterste gedeelte van de Parkweg gebombardeerd. Onder andere, politie van de Brink, dat was de veldwachter, die is omgekomen. En ik zie hem nog altijd wel met die hond. Hij had altijd wel een hond bij zich. En mensen van Alberti. En ja, die mensen kenden het ook wel. Ja, ja. En toen is de rest van de bommen gevallen bij de katholieke kerk op de Prins Bernhardlaan. En er was een grote schuilkelder daar. Daar is er is ook een bom midden op gevallen. En toen is onder andere van één familie alles omgekomen behalve één jongen. Ik kende hem van de school.

Allard: Maar die schuilkelder zat bij de kerk?

Theo Hendriks: Nee, die was dus gewoon gegraven. Want er werden wel maatregelen getroffen voor het geval dat. Bij ons tegenover aan de Parkweg zat ook een slager en die had dus een stukje land aan de Parkweg en die had daar een eigen schuilkelder gebouwd. En daar zat de rest van de buurt.

Allard: Omdat jullie natuurlijk ook bij kazernes zaten, hadden mensen wel het idee van nou er kan wel eens wat gebeuren hier.

Theo Hendriks: Het was een dreigende tijd.

Allard: Heeft u ook de bevrijding bewust meegemaakt?

Theo Hendriks: Ja, er kwamen Tommies Ede in op 17 april 1945. Die werden gesteund door Canadezen tanks. En die kwamen langs het spoor via de dokter Hartogweg Ede binnen. (De Britse 49e Infanterie Divisie (de 'Polar Bears'), geholpen door Canadese tanks.)

Allard: En toen zaten de Duitsers hier nog wel. Ook in de kazernes nog, of waren die al weg?

Theo Hendriks: Ja, maar die waren er, maar die waren zich aan het terugtrekken. Ja, want die zagen erbij wel aan. In De Klomp, daar zaten dus. Daar hoorden we schieten. Maar in Ede dat ging heel rustig. Ik kwam hier door Oranjelaan, kwam er dus. Tanks (Sherman) en die waren weerskanten gecamoufleerd en de soldaten hadden geweren. En dan de commandant erbovenuit, weet je wel. En ze keken recht voor zich uit; ze waren heel geconcentreerd.

Theo Hendriks: Ja, en toen zagen we later alle jeep terugkomen. En daar zat een Duitser in. En die werd hier dus bij een café verhoord. En later, ja. En toen kwam er ook een. Bij ons tegenover kwam er een jeep aanrijden met allemaal van die antennes. Dat was dus voor de verbindingen. En daar zaten Britse militairen. En alle mensen eromheen natuurlijk. En in het eerste huis, daar woonde een Duitse vrouw met haar man en dochters. En daar kwamen altijd heel veel Duitse officieren in de oorlog. En nou, maar die meiden, weet je wel, hoe dat gaat. Wat er allemaal speelde, weet ik niet. Maar toen kwam dus die jeep met alle mensen eromheen. Ze trokken die meiden daarna bij de soldaten weg.

Allard: Maar kunt u zich dat allemaal herinneren? Want u was dan acht, op dat moment dan, dat bevrijding was ongeveer, bijna acht.

Theo Hendriks: Ja, half.

Theo Hendriks: En er was feest en dansen op het stationsplein. Ja. Oh, jongens. Dus ja, en toen werden we als kind uitgenodigd op de kazernes. Want die waren ingenomen door Canadese militairen. En dat was een kindermiddag en daar kregen we dus versnaperingen. Ik heb nog altijd het gedenkteken, zo’n maple leaf met het wapen erop van dat onderdeel.

Allard: Ik heb begrepen dat de Canadezen nog een tijd in Ede zijn gebleven. Dat ze ook nog mee hebben geholpen om het Openluchttheater weer te renoveren. En het mausoleum helpen te maken.

Theo Hendriks: En de wegen. Hier vlakbij was er een post. Van militairen en zat aan de kop van de Parkweg; daar was een stukje weiland. Daar gingen we dan allemaal naartoe en zeiden ze: “Heb je jonge zuster”? Ja, ja, ja. Die jonge jongens waren wel op zoek naar een leuke date. Die moesten dan komen, die werden gefoerageerd: die kregen eten. En ik weet nog wel, ik kreeg een witte boterham. Oh! En ik heb er niet op gegeten. En ik naar huis. “Kijk eens”. We hadden steeds dat hele kleffe brood gegeten. Ja, ja. Dat waterbrood.

Theo Hendriks: De laatste twee jaar van de oorlog was de winkel gewoon dicht. Ee was alles op rantsoen. Bonnen had je nodig om wat te kopen. En de Duitsers die kwamen, die kwamen ook. En die waren gek op zijden kousen.

Allard: En daar betaalden ze dan voor?

Theo Hendriks: Ja, ze betaalden wel. Die geldtas stond open.

Allard: Oh ja, ja, ja. Het was niet veel waard.

Theo Hendriks: Nee.

Allard: Dus je kon er niet veel mee. Dus jullie leefden eigenlijk vooral van bonnen. Zelf van de voedselbonnen ook.

Theo Hendriks: Ja, en dan in de winkel kregen we dus bijvoorbeeld toch mensen uit de buurt: er waren dan kinderen geboren in de buurt en die hadden geen luiers. En dan hadden we luiers, maar die kregen ze alleen op recept van de dokter. Op het laatst deed mijn vader alles uit de winkel. Want ja, als die moffen komen, dan moet je er wel wat mee. We hadden het verstopt. Niks in de winkel, alles op zolder. Zo ging dat.

Na de Tweede Wereldoorlog

Allard: Is na de oorlog de winkel weer snel opgestart?

Theo Hendriks: Het kwam heel langzaam weer op gang. En tot de jaren 50 is alles op de bon geweest. Dan kon je niet meer kopen wat je wou. En dat was ook met die geldontwaarding en zo. Toen kreeg je dus die. Dat tientje van, hoe heette die? Lieftinck!

Theo Hendriks: Met het tientje van Liefding was iedereen even rijk. Er werd alles bevroren, ook het geld op de bank.

Allard: U heeft hier een lijst gemaakt van allemaal winkels. Wanneer was dat dan ongeveer dat u dacht: van nou, dat zat er allemaal nog?

Theo Hendriks: Nou, dat was dus van na de oorlog tot. De 50-er jaren. In de jaren ‘70 werden hier dus allemaal bars geopend.

Allard: Dus die bars die hier nu zitten nog, schuin achter uw huis, waren dat toen al wel bars of waren dat ook winkels?

Theo Hendriks: Winkels.

Allard: Want ik kan me natuurlijk al herinneren, ik ben natuurlijk in 1961 geboren, toen ik 18 jaar of zo was, gingen wij hier naar het café.

Theo Hendriks: Ja, ja. Het waren oorspronkelijk allemaal winkels.

Het Maanderpark

Allard: Zaten er hier in de buurt ook een aantal hotels?

Theo Hendriks: Nee, er stond wel hier een hotel, Parkhotel. Maar dat was geen hotel meer, dat was gebruikt als meesters-pensionaat. Eerst dachten ze dus, er was hier een station gebouwd. Dat een hotel wel goed was bij het station en zo. Maar dat heeft nooit gefloreerd. En toen is het door de ENKA gebruikt als pensionaat voor Duitse meisjes. Want toen werkten heel veel meisjes op de ENKA. Die werden dan daar geplaatst en die zaten onder de hoede van de Duitse zuster van Nolle. Ja, die moesten zorgen dat ze de mannen er weg hielden. Het stond op de hoek van de Julianalaan en de Oranjelaan. En dat is later ook nog een HBS geworden.

Allard: Want het was natuurlijk oorspronkelijk een park, want het huis waar u nu woont is gebouwd in 1961, zei u?

Theo Hendriks: Ja, alle huizen aan deze kant van de Oranjelaan, daar waren dus oorspronkelijk de tuinen van de winkels die aan de kant van de Parkweg waren. Dit was de tuin van de drogist. De rest van het park was tot die tijd gewoon het bos. En later zijn dus die kavels allemaal opgedeeld. En daar stonden maar twee huizen. En dat is hier op nummer 18. En de eerste twee, twee of vier.

Theo Hendriks: Ik ben pas in dit huis komen wonnen aan het einde van de jaren ‘70? Ik ben. Ik ben eerst zelf komen wonen op de Parkweg.

Allard: U bent onderwijl naar de middelbare school geweest?

Theo Hendriks: Naar de middelbare school en daarna ben ik in de leer gegaan bij een textielzaak en later een herenmodezaak. En toen ben ik eerst in dienst gegaan. Want dat had je ook nog. Ja. Dan kwam je dus als 19-jarige en 20-jarige in dienst. Ik heb mijn vrouw ontmoet in dienst. Dan was de dienst goed voor de huwelijksmarkt. Tegenwoordig ontmoeten ze allemaal in de bar of zo. Bij een dancing. Ik was in Schaarsberg in dienst. Maar toen kwam ik uit dienst en toen ben ik nog even naar een herenmodezaak en een damesmodezaak geweest om het vak verder te leren. En ja, toen was in de 50 jaren de economie dus booming. En toen werd het steeds drukker, en toen ben ik dus naar huis gekomen. En toen heb ik mijn vader geholpen en ben ik getrouwd.

Allard: En toen zat de zaak nog op de plek waar u geboren was?

Theo Hendriks: Ja.

Allard: Heeft de zaak ook altijd daar gezeten?

Theo Hendriks: Ja, in 1995 zijn we gestopt. Ik had de zaak overgenomen van mijn vader.

Theo Hendriks: Ja, het pand hebben we toen verkocht. En toen zijn we alleen op de Bellestein doorgegaan. In winkelcentrum de Bellestein heb ik bijna 30 jaar een winkel gehad: First Lady.

Theo Hendriks: Het was na de oorlog druk op de huwelijksmarkt. En er was woningnood. En toen was ik maar een jong winkeliertje. We werden gewoon gevraagd voor de winkeliersvereniging. En de voorzitter van de winkeliersvereniging had een huis in de Parkweg 44. Een dubbel huis, dus een etagewoning en een begaande grond. En dat hoorde ik, dus dat dat leek me wel wat. Ik er naartoe. En of ik dat kon huren. Maar ja, het moest je wel gegund worden. En ik moest ook vergunning hebben van de gemeente. Want je moest een woonvergunning hebben.

Allard: Oh.

Theo Hendriks: Dus ja, want er zat ook een soort sancties op dat ze dus de juiste. Maar doorslaggevend was een aanbeveling van de verhuurder, dat telde heel zwaar. Met de motivatie dat ik dus in de winkel werkte en zo. En zo ben ik daar terecht gekomen.

Allard: En bent u daar getrouwd of bent u samen gaan wonen?

Theo Hendriks: Ja, ben ik gaan samenwonen. Er zijn daar twee kinderen geboren. Pas later zijn we luxer gaan wonen. Want we hadden daar geen badkamer of niks. Aan de grootsteen moest je jezelf wassen. Het was geen luxe; we hadden ook geen wasmachine. We hadden helemaal niks. Ook geen kelder. En toen zijn we dus naar de Tooroplaan gegaan. En die waren dus eigenlijk nog niet zo oud, de galerijflats. Dus vanaf de Tooroplaan gezien aan de linkerkant, achter de Bethelkerk. Daar kon ik huren, maar het was weer heel gedoe. En die waren gebouwd voor de pensioenen van de staatsmijnen. En er was een makelaarskantoor en die deed de verhuur. En dan brieven schrijven. En toen hadden we dus een huis. Ja, en daar zijn de kinderen verder opgegroeid. We hebben daar zeven jaar gewoond. En toen kregen we dus een huis op de begane grond. Net als wat onze kinderen zeggen. In 1978 ben ik hier komen wonen. Het stond leeg, stond al een jaar leeg. Het was een modelwoning. En daar ging mijn moeder en... Mijn aanstaande ging mee kijken en ze zeiden: “Oh, dat is wel mooi, ja”. Maar dat kostte 15.000 gulden. En de rente was toen 12%. Nou ja, toen hebben we het toch gekocht. Ja nou, dat is goed uitgepakt.

Winkelcentrum Bellestein

Allard: En hoe kwam u dan met een winkel in de Bellestein terecht. Was dat een tweede winkel?

Theo Hendriks: Ja een tweede winkel.

Theo Hendriks: Toen al die cafés terugkwamen aan de Parkweg. Hier in het Oranjepark de omgeving verouderde de bevolking een beetje. Er kwamen allemaal oudere mensen wonen en zo. En voor de jonge gezinnen werd dus allemaal gebouwd in Ede West.

Allard: Ja, Veldhuizen.

Theo Hendriks: En toen werd er een winkelcentrum gebouwd: Bellestein. In het voorjaar van 1980 hebben we daar de zaak geopend.

Allard: En heette de zaak dan ook Hendriks? Of hadden jullie een naam voor de zaak?

Theo Hendriks: First Lady. En dan hebben we dus tot 2006 daar dus gewerkt. Ja. En toen ben ik met pensioen gegaan. We hebben de zaak verkocht. En dan heb ik net op tijd verkocht, want in 2008 kreeg je die crash.

 

Huidige Parkweg

Allard: En wat vindt u er nou van dat ze van die hoge appartementen hierachter hebben gebouwd?

Theo Hendriks: Nou, die zijn best hoog, maar vroeger waren ze dat ook. Is beetje als die in Amsterdam, die eerste woningen die er staan. Er bestaat er nog eentje waar Café de Slok zit. Dat is nog een oude bouw. Maar dat is een bouw die eigenlijk helemaal niet bij Ede hoort. En vooral niet, omdat het een woning is en daarboven dan een bovenwoning. En omdat ik daar dus gewoond heb, in de benedenverdieping, dan moest er iets gebeuren. Die kozijnen van die huizen kwamen uit de sloop van Amsterdam.

Allard: Oh, serieus?

Theo Hendriks: Ja, dus er was in Amsterdam iets gesloopt. En die aannemer die hier die huizen was, een Amsterdamse aannemer. Die heeft daar dus wat hij gebruikt heeft. Vanuit de sloop. Dat heeft hij dus hier gebruikt. Dus het was ook echt een beetje Amsterdamse bouw eigenlijk daardoor.

Theo Hendriks: Nou, dat vind je net ook eens.

Allard: Van die cafés, heeft u daar last van?

Theo Hendriks: Ja, ik heb er wel last van gehad hoor. Maar ze zijn wel wat ingebonden. Wat het museumplein nu is, was toen hier. Want hier was een hele actieve discussie daarover. Want Herman Brood trad hier op. Ja, ja. Maar nee, ik heb er geen last van. Ja, daarvoor wel. Maar ja, wat is last? Als je eigenlijk maar niet ergert, dan heb je er geen last van. En last heb je soms ook van de bovenburen.

 

Buurtvereniging

Theo Hendriks: Ik wil je ook nog iets vertellen. We hebben hier een buurtvereniging. Ja, en daar wil ik iets van vertellen.

Allard: Oké, dat is goed.

Theo Hendriks: Kijk, dat is een lijst. Zoveel mensen wonen er hier in de buurt. In het Oranjepark. Dan weet ik wie waar woont.

Allard: Ja, maar u bent u zelf actief in die vereniging? In die buurtvereniging?

Theo Hendriks: Ja, ik ben een actief lid, maar ik ben geen bestuurslid. Ik vind het leuk en ik vind het heel fijn dat ik hier woon. Want veel oude kennissen heb ik hier ik niet meer. Er zijn heel veel mensen vertrokken. Bejaardenhuis, gestorven en verhuisd. En de mensen die terugkomen. Dit zijn best dure huizen.

Theo Hendriks: Die werken meestal alle twee. De ene is meester in de rechter, de andere is dokter. En die komen vaak uit het westen ofzo. En die hebben daar huis... Goed voorkomen, jammer. En dan kopen ze in hun neus, dan slopen ze het eerst half. Maar die omarmen we allemaal als nieuwe vrienden.

Allard: Oh, jullie hebben een eigen blad?

Theo Hendriks: Het heet OP. Staat voor Oranjepark. We doen dat van de Ede Doet-bonnen. En dat wordt dus altijd eentje uit de buurt onder de poep genomen. En dan denk ik, wacht maar, eentje eens kijken.

Allard: Oh, kijk, ja. Bij het monument.

Theo Hendriks: Daar sta ik zelf bij, hè. Ja. Dat is bijna tien jaar geleden. Dan werd ik geïnterviewd. Oh, wat leuk. Hier sta ik tegenover het vroegere winkelpand.

Allard: Oh ja, dat is hem. Ja, dat is hem.

Theo Hendriks: Ja.

Allard: Ja. Ja. Dus jullie hebben eerst, dat heb ik goed begrepen, jullie hebben eerst beneden gewoond, zeg maar. Want boven woonden andere mensen en later zijn jullie naar boven verhuisd. Nee?

Theo Hendriks: Boven waren de slaapkamers. Ja. Kijk, hier was de voordeur. En dan had je een trap omhoog. En was hier de keuken. Maar eerst was het zo, toen werd het zo. Toen waren het zo, maar toen is dit stukje.

Theo Hendriks: Bladen ze maar eens door. Ja. We hebben al tien jaar een hoffotograaf: Bert Andreé.

Allard: Oh ja, de door de Duitsers veranderde straatnamen.

Theo Hendriks: De straatnamen in de oorlog, maar ja, dat kun je ook zien. Kijk, dat is ook interessant: dauwtrappen in de Sijsselt … (we bladeren nog even door door de OP. ....)

Allard: We ronden het gesprek hier af. Erg bedankt voor je tijd en je mooie verhalen.

Theo Hendriks: Heel graag gedaan.

Interview met Theo in het buurtblad OP. Klik op de afbeelding om het artikel te lezen | datum december 2017