Home » Toen en nu » Hoe zat dat? » Overstroming Gelderse Vallei in 1855

Overstroming Gelderse Vallei in 1855  |  Hoe zat dat?

De Gelderse Vallei heeft in de loop van de afgelopen eeuwen regelmatig te maken gehad met overstromingen, na een dijkdoorbraak in de Rijndijk tussen Wageningen en Rhenen. De dijkdoorbraak van 1855 had grote gevolgen voor het gebied. In deze bijdrage probeer ik deze dijkdoorbraak weer 'zichtbaar' te maken. De Grebbedijk is 7 keer doorgebroken, namelijk in 1595, 1602, 1643, 1651, 1682, 1711 en in 1855. Daarnaast zijn er tal van bijna doorbraken geweest, waarvan die in 1998 de bekendste is. Nog steeds is de Rijndijk een relatief zwakke plek in onze verdediging tegen hoogwater.


Achtergrond bij de dijkdoorbraak

In de winter van 1855 vonden er in het rivierengebied op grote schaal overstromingen plaats. Eén van deze dijkdoorbraken langs de Rijn vond plaats in de Grebbedijk op 5 maart 1855. Het gevolg van deze doorbraak was dat de Gelderse Vallei tot aan Amersfoort onder water liep. Zoals bij de meeste dijkdoorbraken, was de mens zelf indirect oorzaak van de (omvang) van de ramp.

  • Door het omleiden van het Rijnwater via de Waal, was de Nederrijn verzand geraakt en daardoor de waterstand was verhoogd.
    Gevolg: bij extreme waterhoogte en bij kruiend ijs, kon de dijk onmogelijk de krachten van het water weerstaan.
  • Door vervening (afgraven van veen) van de Gelderse Vallei was het maaiveld met meerdere meters verlaagd. Hierdoor verdween de natuurlijke waterscheiding, die er vroeger voor zorgde dat een deel richting de Rijn en een ander deel richting de Eem afwaterde.
    Gevolg: de overstroming kon hierdoor de gehele Gelderse Vallei onder water zetten.
  • Door de aanleg van zogenaamde slaperdijken, was de vallei in compartimenten verdeeld geraakt, ten behoeve van de Grebbelinie. Hierdoor zou een overstroming zich moeten beperken tot een kleiner gebied. Dit systeem werkte echter niet goed.
    Gevolg: bij de overstroming braken diverse slaperdijken door.
  • De aanleg van de spoorlijn tussen 1843 en 1845 zorgde voor een extra dijklichaam, dwars door de vallei heen. Slechts op twee plaatsen kon water daar onderdoor, via een daarvoor gemaakte duiker. Bij een overstroming moest alle water hier door.
    Gevolg: bij de overstroming brak de spoordijk door.

Kaart van de Wageningsendijk en de Grebbendijk op de ‘Caarte van de Slaperdijk streckende van de Stichtse bergen tot aan de hoogte van Gelderland uit 1705. Het noorden is onder; links ligt Wageningen en rechts Rhenen. Bron: Gelders Archief.


De dijkdoorbraak

De belangrijkste bron die de doorbraak in detail beschrijft is het verslag over “den toestand der provincie Utrecht in 1855”. Onderstaande tekst is hieruit integraal overgenomen:

Den 5. Maart, des voormiddags te 6 ure, geraakte het ijs in beweging met een waterstand van 11,00 el boven A.P., welke steeds hooger werd, tot dat op drie plaatsen eerst de noodkade en later de dijk zelf boven den Dooven 3 ure des namiddags, bij een waterstand van 11,215 el boven A.P. of 0,215 el boven noodpeil, doorbrak, terwijl het binnenwater slechts een hoogte van 6,25 el boven A.P. aangaf.

De eerste geringe doorbraak, werd bij zulk een groot verval spoedig dieper en groeide aan tot eene wijdte van 1,65 el1 en eene diepte van 5,00 el onder A.P. In 4 uren tijds viel het water buiten de Grebbesluis, ten gevolge van deze doorbraak en van die van den Marschdijk, van den dijk te Lienden, te Maurijk en te Ingen, tot 10,15 el boven A.P. weg, en rees binnen tot 7,90 el boven A.P.

Zestien uren na de doorbraak begon het water aan den Rooden Haan merkbaar te stijgen. De schotbalkensluis aldaar was door de zorg van den aan de Grebbesluis gestationeerden luitenant der genie bezorgd en de waterverdeling geregeld.2 De naast de sluis liggende heulen werden door een kistdam aan de buitenzijde tegen doorbraak bezorgd.

Waterdiepte en areaal overstroomd gebied op 5 maart 1855 om 21.00 uur. Uit een simulatie van de WUR.

Het vloedwater rees voor de sluis aan den Rooden Haan en dus ook in de geheele kom van Geldersch en Stichtsch Veenendaal, den 5., 6., 7,. 8., 9. en 10. Maart, tot hoogte van 5,17, 7,00, 8,50, 8,80, 8,93 en 9,05 el boven A.P. 2. De Grebbesluis werd tot waterlozing gereed gemaakt; doch dewijl de doorbraak nog steeds tot den 10. Maart inliep, zoo moest de sluis tot dien tijd gesloten blijven.

Bij het sterk rijzen van het water voor den Slaperdijk waren de bruggen aan de Klomp en het fort Buursteeg niet in staat het noordwaarts opdringende water door den spoorweg een doortogt te verleenen. Hierdoor stroomde in den nacht van den 7, op den 8. Maart de grond 2,00 el diep onder de brug bij de Klomp weg, en viel daar aan de oostzijde een gat van 10 el en aan de westzijde een gat van 15 el breedte in de baan. Door den stevigen bouw van de brug is dezelve blijven bestaan, doch het vervoer over de spoorweg was gestremd. Het water liep daarna over den straatweg van de Klomp naar Renswoude en tegen het noordelijk gedeelte van den Slaperdijk. De daarin liggende heulen waren inmiddels met schuiven, rijshout en aarden dammen afgesloten. De schotbalkensluis aan de Daatselaar was gedigt. Het water liep tot 0,11 el onder de rollaag van genoemde sluis, doch tevens om de kop van den Slaperdijk, langs de op verscheidene plaatsen gedigte Groeperkade, naar de straatweg tusschen Renswoude en Scherpenzeel, en verder naar de Luntersche beek.

Den 9. Maart, des avonds te half 10 ure bezweek de duiker in de Munnikenheul bij een waterstand voor dezelve van ongeveer 8,80 el boven A.P. Het gat werd 32 el wijd bij een diepte van 8,70 el onder de dijkskruin. Renswoude werd overstroomd, en door verscheidene in de Groeperkade gevallen gaten liep het water langs Scherpenzeel en den Grebbeliniedijk naar Woudenberg en Amersfoort.

Het water vloeide, zowel ten oosten als ten westen van den liniedijk, naar den Heiligenberg, Stoutenburg en Amersfoort, daar de doorbraken te Lambalgen, boven Bruinenberg, 2 beneden Bruinenberg, te Asschat en bij de Bruinenburgersluuis, als het ware, eene opene gemeenschap daarstelden. De kade om den uiterwaard, boven de doorbraak bij de Grebbe, keerde den 11.Maart het rivierwater, zodat alstoen door de Grebbesluis en de schotbalkensluis aan den Rooden Haan de wateraftapping is begonnen.”


Het overstroomde gebied

Deze kaart toont in groen het overstroomde gebied na de dijkdoorbraak van 1855. Het water stond tot aan het huidige industrieterreinen Heestereng en BT A12 en overstroomde daarmee een deel van de buurt Veldhuizen. Veenendaal was grotendeels en De Klomp was geheel overstroomd. (Kaart: Sloet 1855)

 

Zowel de planken in de tunnel van De Klomp, de daarvoor liggende Slaperdijk bij Veenendaal, als ook de spoordijk, konden het water niet tegenhouden en braken door. Bennekom en Ede werden gespaard, omdat de bebouwing tegen de stuwwal op lag en daardoor onbereikbaar was voor het water.


De huidige situatie

In 2017 is door het Waterschap Vallei & Veluwe een verkenningsfase gestart, naar aanleiding van de nieuwe normen voor waterveiligheid in de Waterwet. Die moet ertoe gaan leiden dat de Grebbedijk verder verhoogd gaat worden, om beter beschermd te zijn bij hoogwater. In de loop van 2025 moeten de werkzaamheden gaan starten en moet de planfase zijn afgerond. Vóór de dijk zijn, in de uiterwaarden, al diverse werkzaamheden uitgevoerd, rond het meer ruimte geven aan de rivier. Bij extreem hoog water lopen eerst deze gebieden onder, waardoor de druk op de huidige dijk afneemt. Het veranderende klimaat zorgt vaker voor onverwachtse en grotere hoeveelheden regen. Dit kan zorgen voor een piekbelasting in de rivierafvoer. De Grebbedijk is hiervoor nog niet geheel klaar. De komende jaren zal de dijk verder verbreed en verhoogd moeten worden. Een ramp zoals in 1855 kan zich dus nog zeker voordoen in dit gebied. 

 

Meer lezen over de Grebbedijk: https://www.grebbedijk.com/ 

De ligging van de dijk (rood) tussen de Grebbeberg (links) en de Wageningse berg (rechts).
Bron: www.ahn.nl 


Kaart uit het plandocument van het Waterschap Rivierenland | 2009 | Bron: Waterschap Rivierenland.